Over de natuur bestaan veel boeken en sites (zie literatuurlijst). Onder andere de Crossbill-guide van Hilbers & Woutersen (2012) en het boek van Garcia & Rebane (2017) zijn aanraders, met veel informatie en wandelingen.
VOGELS
Voor enkele oude gegevens, zie pioniers.
Voor een overzicht van de vogels in Aragon, zie https://drive.google.com/file/d/1WiDIMxG42v4YETOEQi-cX26IMa5KrEwu/view
De roofvogels zijn uiteraard een van de blikvangers in de Pyreneeën, met de gieren als exponent: vale gier, aasgier en de prachtige lammergier, de quebrahantahuesos. Vooral vale gieren zijn vaak in grote groepen te zien. De monniksgier is uiterst zeldzaam in Aragon.
In 2025 vlogen er in 209 territoria maar 50 jonge lammergieren uit in de volledige Pyreneeën. Het broedsucces was hoger in Frankrijk met 0,53 jongen per nest. In Aragon (87 territoria) was dat maar 0,34 jongen per nest.
(bron: https://4vultures.org/blog/bearded-vulture-in-the-pyrenees-2025-breeding-results-and-conservation-actions/)

Van de vale gier herbergde Aragon in 2018 15,6% van de Spaanse broedparen (Delmoral & Molina, 2018). Een telling op 90,6% van de oppervlakte leverde 4832 paren op, verspreid over 563 kolonies en 127 geïsoleerde paren. Rekening houdend met de 9,4% niet-getelde oppervlakte, zou het aantal paren 5355 kunnen bedragen. Dit lijkt stabiel tegenover 2008, na drie decennia van sterke groei.
| Provincie | Aantal kolonies | Aantal individuele paren | Totaal aantal paren |
| Zaragoza | 209 | 46 | 1738 |
| Huesca | 184 | 41 | 1715 |
| Teruel | 170 | 40 | 1379 |
| Aragon | 563 | 127 | 4832 |
Aantal broedparen vale gier in Aragon (Delmoral & Molina, 2018)
Het groeiende aantal windmolenparken vormt een bedreiging voor alle gierensoorten. Volgens Pérez Garciá & Serrano (2023) sterven er in Spanje elk jaar gemiddeld 4,3 gieren per 100 windmolens.
In 2006 waren er in Aragon 66 windmolenparken (1.171 MW). In 2022 was dit gestegen tot 197 (4.750 MW) om tegen 2026 de 6.100 MW te overschrijden. In slechts drie decennia is het aantal windparken verdrievoudigd (https://pacma.es/noticias/renovables-si-pero-no-a-cualquier-precio-mas-de-76-000-animales-recogidos-en-aragon-evidencian-el-impacto-mortal-del-despliegue-eolico/).
Simulaties naar de invloed van windmolens in een gebied in Griekenland wezen uit dat zelfs onder het meest optimistische scenario de jaarlijkse sterfte door botsingen tot 7% van de populatie vale gieren kon treffen (Bounas et al., 2024). Voor de monniksgier was dat zelfs 30%. Zonder verdere uitbreiding van windmolens zouden beide populaties de volgende 20 jaar stabiel blijven, of toenemen. Daarentegen zou het toevoegen van 85 windturbines volstaan om binnen de 18 jaar de monniksgier te doen verdwijnen, en de groei van de vale gieren af te remmen. In scenario’s met nog meer turbines zouden beide soorten uitsterven
Dit stelt weer de tegenstelling duurzame energie versus biodiversiteit op scherp, maar door degelijk voorafgaand onderzoek en door het gebruik van voldoende mitigerende maatregelen zou men het aantal slachtoffers drastisch kunnen beperken. Het probleem is dat studies die de gevolgen van dergelijke projecten moeten onderzoeken, gefinancierd worden door de energiebedrijven, vaak met weinig toezicht van overheden, wat onafhankelijkheid uitsluit (Serrano et al., 2020)
Opvallend is dat vale gieren ook regelmatig als verkeersslachtoffer gemeld worden, met bijvoorbeeld in Aragon 120 slachtoffers tussen 2012 en 2014 (Vidal-Vallés et al., 2018).


Aasgieren zie je regelmatig, meestal per twee of drie. De soort is zeer gevoelig voor gif en pesticiden, en migratie vormt een extra risico. Hun aantal is de afgelopen tien jaar met meer dan 40 procent gedaald in gebieden zoals de Ebro-vallei. De populaties in de Pyreneeën lijken stabieler te zijn. (Ferrer, 2018)
Andere roofvogels die zich regelmatig laten bewonderen zijn slangenarend, dwergarend, rode en zwarte wouw … De steenarend is al een pak moeilijker te zien en de havikarend is een zeer zeldzame broedvogel en sterk bedreigd. Tussen 2022 en 2024 werden er 21 jonge vogels uitgezet in de Sierra de Guara (Mir, 2025).
Voor soorten die broeden in de hoger gelegen gebieden, zoals alpenheggenmus (foto), rotskruiper, sneeuwhoen, …, vormt de klimaatverandering een bedreiging.

Waar het hooggebergte eerder arm is aan kleine zangvogels (tapuit, kneu, grijze gors, waterpieper, citroensijs…), is de mediterrane vegetatie wel rijk aan kleine zangertjes. Jammer genoeg zijn die in de zomer nogal onzichtbaar, maar in de lente laten ze zich wel horen: heel veel (!) nachtegalen, westelijke baardgrasmus, grauwe gors, westelijke orpheusgrasmus, bergfluiter, duinpieper, boomleeuwerik … Ook bijeneters laten hun typische roep dagelijks horen.

Voor wie niet opziet tegen een trip van 100 km biedt het (ex!)steppegebied Los Monegros de mogelijkheid om speciale soorten te zien zoals scharrelaar, Iberische klapekster, zandhoenders, steenarend, griel, kalanderleeuwerik, kortteenleeuwerik en plaatselijk nog Duponts leeuwerik. In 1878 beschreef Saint-Saud het landschap ten zuiden van Huesca als: “Maar wat een afschuwelijke woestijn doorkruisen we, wat een verbrande, verschroeide, uitgedroogde steppe! Een typisch Afrikaans landschap.”
Deze steppes, waar vroeger in de winter de schapen uit de Pyreneeën graasden, werden op het einde van de vorige eeuw ‘geherwaardeerd’ en, onder andere met water uit de Pyreneeën, grotendeels in cultuur gebracht: uit een verslag van 1975: “Derde stop, 8 km van Bujaraloz, (…) op het plateau van Los Monegros. Tot ongeveer tien jaar geleden waren dit indrukwekkende, vrijwel onbebouwde vlaktes, een landschap met steppes die bijna Afrikaans aanvoelden, maar momenteel worden ze ‘verbeterd’ ” (Delvosalle, 1980)
Van de vroegere steppes, hier en daar ook met zoutpannen, blijft inderdaad jammer genoeg niet veel meer over. Her en der verschijnen er ook varkensstallen en slechts hier en daar blijft nog een sprankel van vroeger over.
Enkel rond Belchite zijn er twee echte reservaten, met onder andere El Planéron. https://birdingplaces.eu/nl/birdingplaces/spain/el-planeron
Het witbuikzandhoen is schaars (± 900 ex. in 2019) en de aantallen dalen drastisch. Gedurende deze eeuw was er een populatieafname van meer dan 70%. De soort is ernstig bedreigd door de uitbreiding van irrigatielandbouw en de intensivering van de landbouw

Ook het zwartbuikzandhoen is zeldzaam (± 1200 ex. in 2019) en gaat snel achteruit, met een populatieafname van meer dan 50% in deze eeuw. De soort is iets ruimer verspreid dan het witbuikzandhoen.


ZOOGDIEREN
In de bergen laten marmotten zich meestal vrij goed zien. Bovendien laten ze zich zeer regelmatig horen met hun typisch gefluit als er gevaar dreigt.
Reeds na de laatste ijstijden verdween de marmot uit de Pyreneeën.
De soort werd aan de Franse kant van de Pyreneeën geïntroduceerd. Volgens de literatuur gebeurde dat in 1948, maar in de krant L’avenir de Luchon van 25 juni 1933 wordt al een poging tot ‘acclimatisatie’ met marmotten uit de Savoie beschreven. Later gebeurde dat door medewerkers van het Parc National des Pyrénées, met als doel de predatiedruk op de gemzen door steenarenden te verminderen en voedsel te verschaffen aan bruine beren. Vermoedelijk werden in totaal meer dan 500 dieren uitgezet (Barrio et al., 2013).

In het Pleistoceen was de marmot een bewoner van de koude steppes; in het Holoceen bleef hij enkel achter in de bergen, op grote hoogte. Wat de gevolgen van de huidige klimaatopwarming zullen zijn, is nog onzeker: er blijken zowel positieve (in de lente) als negatieve (in winter en zomer) gevolgen te zijn (Magnier, 2025)
De gemzen in de Pyreneeën horen tot de soort Rupicapra pyrenaica pyrenaica, een endemische soort.
“Ze hebben de vacht van een hinde, de omvang van de grootste reeën en hoorns die ongeveer zo groot zijn als die van een geit.” (Beschrijving door De Froidour, einde 17de eeuw)
“Arme beestjes! Ik ben blij dat ze nog steeds rondrennen! Telkens als ik deze onschuldige en gracieuze wezens zie, verbaast het me dat men het aandurft ze te doden: ze vallen immers niemand lastig, hun vlees is van zeer matige kwaliteit, en hun wonderbaarlijke behendigheid, hun temperament en hun dartelheid weten de ziel, die verdoofd is door de stilte en de onbeweeglijkheid van de besneeuwde en lege eenzaamheid van de bergen, altijd weer te prikkelen. Er zijn momenten waarop deze stilte van de natuur een soort nachtmerrie teweegbrengt. Als die stilte te lang duurt, maakt ze ons zo somber dat de vlucht of de zang van een vogel al voldoende is om ons te betoveren en ons hart te verblijden.” (Russell, 1877)
Het is opmerkelijk dat Herrero et al., (2022) beweren dat gemzen in de 19de eeuw in grote delen van de Pyreneeën niet voorkwamen. Ze verwijzen daarbij enkel naar een artikel van Briet in het Spaans als bron. De taalbarrière, toen het internet nog maar weinig hulp bood bij vertalingen, speelt hierbij waarschijnlijk een rol, waardoor artikels in het Frans niet bereikbaar waren.
In de vele Franse verhalen over excursies in de Spaanse Pyreneeën worden gemzen echter wel regelmatig vermeld. Volgens Trutat (1894) waren er in de Spaanse Pyreneeën nog veel groepen gemzen, en leek hun aantal nog niet af te nemen. De gemzen werden overigens sterk bejaagd. En ook De Asso (1784) vermeldt de soort als veel voorkomend in de Aragonese Pyreneeën.


Hoe dan ook is het aantal gemzen in de 20ste eeuw sterk toegenomen als gevolg van beschermingsmaatregelen en de afname van het aantal schapen in de bergen.
De laatste decennia was er twee keer grote sterfte als gevolg van ziektes (zie figuur, Herrero et al., 2022). Een pestvirus, dat vooral bij schapen wordt aangetroffen, halveerde in 2013 de populatie.

Van everzwijn en ree zijn er regelmatig waarnemingen; ook verwilderde geiten komen plaatselijk voor.
Op wandelingen verraden dassen vaak hun aanwezigheid met sporen en latrines. Ze leven hier wel niet in grote clans, maar eerder per paar.
Vooral langs de beekjes vind je soms de sporen van de genetkat. Deze kwam ooit mee met de Moren uit Afrika. In de kloof van Entremon vind je een latrine met lange, groene uitwerpselen van deze soort.

Ook sporen van marters zijn frequent; ze werden vroeger vervolgd voor de pels.
De otter verdween uit het Nationaal Park Ordesa in de jaren 70 van de vorige eeuw, maar tussen 1990 en 1994 gebeurde er een geleidelijk herstel (Ruiz-Olmo et al., 2005). In 2004 kwam de otter voor in alle waterlopen van het nationaal park en de aangrenzende gebieden. Zijn prooi bestaat voornamelijk uit beekforellen.
“Het is belachelijk, maar sommigen onder ons twijfelen of de otter nu bij de vissen of op viervoeters hoort.” (De Asso, 1784)
Er komen volgens de Crossbill Guide ook 27 soorten vleermuizen voor. Met een beetje geluk tref je in een van de verlaten huizen de kleine hoefijzerneus aan.

Ook de Pyrenese desman is een endemische soort; het is een molachtig dier dat in stromend water zijn kostje bijeen scharrelt.
Bruine beer
Jachtverhaal in de krant Gazette de Cauterets, 19 juli 1893: “Nog maar een paar jaar geleden werd er gesproken over een dappere boer uit de Ossau-vallei, wiens naam we helaas niet kennen, die drieëndertig van deze viervoeters had gedood. Ook in Cauterets werd er gesproken over een zekere Py, die er meer dan twintig had gedood. (…) Dat men er met tussenpozen van jaren nog steeds een tegenkomt in de bergen, is mogelijk; maar het lijkt alleen nog maar een zeldzaamheid, en een jager, hoe dapper hij ook is, kan onmogelijk nog zeggen dat hij een beer gaat doden”

Toen hij 74 jaar was, had deze Loustau volgens De Bouillé (1892) 18 beren gedood. Le Journal des Pyrénées van 22 juni 1848 vertelt hoe Loustau een beer, ‘Dominique’, un animal monstrueux, waar jagers al 10 jaar naar op zoek waren, doodde. Het dier woog meer dan 250 kg. Dezelfde De Bouillé merkt trouwens in zijn boek op dat beren nooit uit zichzelf aanvallen, tenzij ze gekwetst zijn.

Op zijn minst opmerkelijk is het verhaal van een inwoner uit Ustou (Frankrijk) die enkel gewapend met een mes op berenjacht ging. De rug en het hoofd beschermd door dik leer, ging hij de confrontatie aan, wachtte tot de beer zich oprichtte en sloeg dan toe met zijn mes (Goudron, 1908).

De mensen van de Pyreneeën doodden beren, omdat die hun schapen aanvielen. De pels en het vet werden duur verkocht. Aan het vet werden geneeskrachtige eigenschappen (tegen reuma) toegedicht. Volgens Gourdon (1908) bezat bijna elke familie in de Ariège een afgerichte beer waarmee men in de zomer de toeristen die naar de thermale baden kwamen, vermaakte.
“Wanneer ik zie hoe de dierentemmers van de hutten in Ustou jonge beren aan de leiband leiden met een ketting die aan hun neusgaten is vastgemaakt, en deze kermisachtige oefeningen laten uitvoeren voor de misantropen van de bergen, kan ik het niet laten om pijnlijke gedachten te koesteren over deze exemplaren van een soort die gedoemd is om in de Pyreneeën te verdwijnen.” (l’avenir de Luchon, 7-11-1874)

Vooral Engelse jagers kwamen beren bejagen. Daarbij duiken terug de namen Brooke en Buxton (1892) op (zie requiem voor de steenbok). Deze laatste vertelt hoe zijn vriend Brooke zonder scrupules een berin, vergezeld van een welp, verwondt en daarna opspoort om af te maken: “Dit was een zeer riskante onderneming”.
“Toen ik voor het eerst de streek bezocht, waren er nog veel beren, maar nu lijken er geen meer te zijn. Vroeger hoorde men nog bijna dagelijks van een poging tot, of geslaagde aanval van een beer op de kudde. De herders deden grote moeite om hun kudde af te schermen en vuurden ’s nachts salvo’s af om de vijand op afstand te houden. Men zei dat hun grote herdershonden, die even groot zijn als een St. Bernard, maar volledig wit met een zwarte snuit, vaak geconfronteerd werden met de beren. Ik zag honden die ernstig verwond waren.”

“En opdat deze honden veiliger konden aanvallen of zich tegen deze dieren (wolven en beren) konden verdedigen, deden ze een halsband om hun nek, bezet met grote spijkers.” (De Froidour, 1899)
Het was als bezoeker dan ook aangewezen om deze honden niet alleen te benaderen, of een stevige stok bij te hebben.
Zelf slaagt Buxton er ook in om beren te doden. Eén ervan is een kleiner mannetje: “We aten een deel van deze kleine ‘gentleman’ op, maar hij was minder sappig dan een met bosbessen gevoede neef van hem in Noorwegen, in wiens steaks ik enkele jaren eerder het genoegen had gehad een vork te steken.”
Gourdon (1908) schrijft dat het vlees een “wilde en zeer speciale smaak” heeft, maar niet zo goed is als het vlees van gems of everzwijn, en dat men het in de hotels van de Pyreneeën zo lang liet versterven dat het helemaal niet meer waard was. De Asso (1784) vermeldt “dat het vlees door de Catalanen werd gegeten”. Volgens De Bouillé (1892) zijn de beren die plantaardig voedsel eten uitstekend om op te eten, maar diegene die zich aan de kuddes vergrijpen zijn afschuwelijk.
In 2025 kwamen er in de Pyreneeën minstens 108 beren voor en werden er minstens 8 welpen geboren (Sentilles et al., 2026). Het aantal bruine beren in Aragon bedroeg acht.
VLINDERS
De streek is een van de Europese topgebieden voor vlinders, zowel voor het aantal vlinders als voor het aantal soorten. Niet voor niets noemde Marc Herremans dit een biodiversiteitshotspot, toen hij in een wegberm in Revilla op twee uur tijd 60 soorten dagvlinders aantrof. Een Franse studie op een traject naar Las Bellostas trof er in juli 2011 69 soorten dagvlinders aan (https://www.lepidofrance.fr/4639/).
In 2011 is in het Nationaal Park Ordesa y Monte Perdido begonnen met het opvolgen van vlinders volgens de methode van het Butterfly Monitoring Scheme (BMS). Daarbij worden 6 transecten met een totale lengte van ruim 14 km vier keer per jaar bezocht. Bij 130 wandelingen werden daarbij 13.592 vlinders geteld, goed voor 135 soorten. Gemiddeld kwamen er per transect 64,2 soorten voor (Taxo, 2021). Het rijkst aan vlinders was Revilla, met gemiddeld 187,3 vlinders per ha en in totaal 84 soorten! De vlinder die het meest voorkwam was de Erebia arvernensis of de westelijke glanserebia, een soort van graslanden in de alpiene en subalpiene zone.
De Crossbill Guide vermeldt 191 soorten. Het determineren is vaak geen sinecure; vooral de blauwtjes, erebia’s en de dikkopjes zorgen voor de nodige kopzorgen, zeker als verschillende gidsen elkaar tegenspreken in naamgeving en determinatie. Ook hier kan tegenwoordig Obsidentity uitkomst bieden, maar controle met gidsen blijft nodig!

Ook bij de vlinders zijn er een aantal endemen, zoals de Pyreneeënglanserebia, Cantabrische erebia, …
Onze waarnemingen zijn veel te beperkt om conclusies te trekken, maar de rijkdom lijkt toch iets af te nemen, vooral in de Sierra de Guara. Veel kleine percelen die vroeger nog extensief begraasd werden en vol bloemen stonden, worden nu, door gebrek aan beheer, overgroeid door struikgewas.
De Pyreneeën vormen ook de barrière die de trekvlinders moeten overwinnen. Op de top van de Mont Perdu beschrijft Ramond (1801) de passage van een kleine parelmoervlinder en een oranje luzernevlinder: “het waren twee vreemdelingen, reizigers zoals wij. De Bouillé (1892) komt de distelvlinder, een notoire trekker, tegen op grote hoogte, maar legt nog niet de link met trek.
zie foto’s onderaan
LIBELLEN
De Crossbill Guide vermeldt 57 soorten in Huesca; een groot deel daarvan is meer naar het zuiden te vinden (Ebro).

ANDERE
“(…) onze voeten jagen zwermen sprinkhanen met blauwe en rode vleugels op; de glanzende ruggen van de wegvluchtende hagedissen schieten als bliksemflitsen voorbij; de adders glijden sissend weg als pijlen. Straks zullen de cicaden vanaf de toppen van de onvolgroeide dennen hun monotone fanfare laten klinken, op de klanken waarvan we Fanlo binnenkomen.” (De Lacaze du Thiers, 1880


Hét geluid van het zuiden wordt uiteraard geproduceerd door de sprinkhanen, krekels en, vooral, de cicaden die, hoewel soms ongemakkelijk en zenuwslopend luidruchtig, bijzonder moeilijk te zien zijn
Een lieverdje dat je best niet van al te dichtbij tegenkomt, is de tot 10 cm grote escolopendra (Scolopendra cingulata), een soort duizendpoot, die je onder stenen aantreft, maar uitzonderlijk ook wel in huis durft komen. De beet van dit beestje is erg pijnlijk (zenuwgif) en het veiligste is dan ook om direct een dokter op te zoeken.

Ook schorpioenen kan je, bijvoorbeeld onder stenen, aantreffen

Volgens de gids Guixé & Llobet (2016) is de steek van deze soort “no es muy peligrosa, pero sí dolorosa”. En volgens Briet (1910) “veroorzaken de schorpioenen uit de sierras, hoewel ze veel kleiner zijn dan hun Afrikaanse soortgenoten, niettemin een zeer onaangename zwelling als ze je steken.”
Een mooie soort is de bastaardlibel


In de 19de eeuw (en nu nog, maar minder openlijk) werd er druk verzameld. Niet alleen vlinders, maar ook kevers haalden hoge prijzen. Zo was een exemplaar van de Carabus splendens 500 frank waard (De Bouillé, 1892). De alpenboktor was dan weer gegeerd door jonge vrouwen om hun kapsel te versieren. De muskusboktor werd gebruikt door de tabakssnuivers om hun snuifdoos te parfumeren.

De Bouillé had overigens een alternatieve, minder vermoeiende manier om insecten te inventariseren: schiet een alpenkraai of alpenkauw. Uit één maag kon hij 43 kevers determineren; 30 kevers waren te veel verteerd om op naam te brengen. De inhoud van de maag van een sneeuwhoen (planteneter) was dan weer minder interessant.
De behandeling van het vee met antiparasitaire middelen heeft grote gevolgen voor de kevers die van de mest leven. Door de afname van het aantal soorten en de aantallen van mestkevers wordt in de bergweiden de mest nauwelijks nog afgebroken: 82% blijft liggen. Dit leidt tot schade aan het ecosysteem en een hoge uitstoot van methaan. (Verdu et al., 2022)
REPTIELEN EN AMFIBIEËN
Voor een overzicht van de amfibieën en reptielen en hun verspreiding: zie de uitstekende gids van Gimenez & Ara (2019).
Vaak hoor je het melancholisch pjuut van de vroedmeesterpad en heb je op de muren, ook soms in huis, het gezelschap van de voorhistorisch aandoende muurgekko, de meester in het kleur aanpassen.

De lijst van reptielen en amfibieën is lang en bevat uiteraard ook weer endemen: de Pyreneeënbeekkikker, de Pyreneeënbeeksalamander en de Pyreneeënberghagedis.
Bij wandelingen zie en hoor je overal de hagedissen weg ritselen, maar de meeste laten zich maar moeizaam goed bekijken. Daardoor is het ook vaak moeilijk om ze goed op naam te krijgen. Muurhagedissen (twee soorten) en de grote zandloper zijn algemeen.

De parelhagedis vlucht met veel gedruis; hij kan een halve meter groot worden! Maar als je na een paar minuten naar dezelfde plaats terugkeert, kan je hem soms zonnend bewonderen. Door zijn uitstekende ogen slaat hij wel weer snel op de vlucht. Ze kunnen vrij oud worden, zijn zeer territoriaal en kunnen ook in de bomen wegvluchten.

Om slangen te zien te krijgen ben ik blijkbaar niet geoefend genoeg (of ’s morgens niet vroeg genoeg op pad?). Ontmoetingen zijn beperkt tot de hagedisslang en adderringslang. Nochtans zijn er nog heel wat andere soorten te zien, zoals trapslang, esculaapslang, aspisadder…



























