Voor gidsen, zie onder andere Maza et al., (2008), Alonso (2014), Cabeza & Alonso (2014), Saule (2002), … Een uitgebreide vegetatiebeschrijving is te vinden in Alonso (2005). De site http://floragon.ipe.csic.es/index.php geeft een volledig overzicht van alle planten in Araron!
Oude beschrijvingen zijn te vinden bij Ramond en Picot de Lapeyrouse. Een boek met gedetailleerde aanduiding van vindplaatsen is het vierdelige werk van Bubani (1897-1901). Jammer genoeg in het Latijn en zonder ‘prentjes’.
Naast het herbarium van Ramon (zie pioniers) is er ook het herbarium van Philippe Camus.
Ramond (1825) leert ons onder andere dat het de grassoort Festuca eskia is die sommige hellingen in de bergen spekglad maakt: “Niets is gevaarlijker in de Pyreneeën dan dit harde en gladde gras, waarvan de dikke tapijten zelfs de geringste hellingen in afgronden veranderen. Zelfs de beste stijgijzers krijgen er nauwelijks houvast: het is de meest voorkomende valkuil voor grootvee, en bijna de enige oorzaak van ongevallen die overigens niet talrijk zijn, die de behendige bewoners van deze streken overkomen.”
Op een 50 km doorsnede van noord naar zuid kom je een ongelofelijke variatie van planten tegen: van de spaarzame begroeiing hoog in de bergen tot de garrigue of matorral van de Guara. Gelukkig helpt Obsidentify nu om de veelheid aan planten een naam te geven.
In de bergen is er een variatie met de hoogte, de oriëntatie en de ondergrond. Zie daarvoor de doorsneden uit de flora van Saule.

Bij een analyse van de verspreiding van vaatplanten in de centrale Pyreneeën van Aragon werden er 2620 taxa geregistreerd. Daarvan waren er 103 endemische soorten van de Pyreneeën, waarvan er 10 zelfs uitsluitend in het onderzoeksgebied voorkomen. Op slechts 3% van het Spaanse Iberische grondgebied komt een derde van de Iberische flora voor. (García & Gómez, 2007).
Begin juli kleuren de berghellingen vaak felgeel door de Echinospartum horridum, stekende egelbrem.


Deze inderdaad zeer stekelige plant breidde na het verlaten van landbouwgronden enorm uit, maar verschijnt ook na ontbossing of brand en beschermt zo de bodem tegen erosie. Ook op een foto van Briet van Morcat is ze duidelijk zichtbaar.
Andere soorten die de verlaten landbouwgronden koloniseren – matorralización – zijn buxus en jeneverbes (Montserrat-Marti, 2021).
Een van de mooiste, maar dat is subjectief, planten is ongetwijfeld de Iris latifolia, die endemisch is voor de Pyreneeën. Doordat hij gemeden wordt door het vee, kleuren de flanken van de bergen in juli prachtig blauw.

Nog zo’n schitterende endeem is de Pyrenese lelie, Lilium pyrenaïcum,

Op de rotsen kan je de rozetten van de Ramonda myconi vinden, ook al een endeem en een van de oudste overblijfselen van de Pyrenese flora, vermoedelijk zelfs uit het tertiair. De plant werd hernoemd naar de Franse pionier Ramond de Carbonnières, die in de 18de eeuw de flora van het massief van de Monte Perdido onderzocht. Het is een van de enige planten die een volledige verdroging kan overleven.


Het vetblad is een carnivore plant waarvan er meerdere soorten voorkomen in de Pyreneeën.

In het voorjaar komen er ook meerdere narcissoorten voor.

Op een van zijn tochten ontdekte Buxton (1892) een narcissoort. Hij groef enkele bollen op om ze thuis uit te planten. Het bleek om Narcissus mochatus te gaan en hij publiceerde een tekening in een tijdschrift, waarna hij bestookt werd met vragen naar de vindplaats: “Maar ik heb het geheim alleen toevertrouwd aan twee bekende enthousiastelingen, die een tocht ondernamen om de bollen te verkrijgen. Jammer genoeg ontdekte een schurk de lokale persoon die bij mij was toen ik de vondst deed. Hij bood hem zo veel geld dat hij 10.000 bollen opgroef en een klein fortuin maakte.”

De Saxifraga longifolia of langbladige steenbreek, ook een endeem, groeit op de rotswanden en kan tot 35 jaar oud worden. De plant bloeit maar één keer. De bloeiwijze is dan ook indrukwekkend en kan 80 cm lang worden en meer dan 500 bloemen bevatten! Net zoals de Ramonda zou dit een restant van het Tertiair zijn.


In de bergen zijn de bloemrijke weiden een lust voor het oog en erg soortenrijk, tenminste als er niet overbegraasd is, wat hier en daar jammer genoeg wel het geval is.

In de Guara overheerst de matorral (garrigue) met planten die vroeg in het voorjaar bloeien en sclerofyten, planten aangepast aan de droogte, altijd groen met harde, kleine blaadjes zoals steeneik, hulsteik, buxus, rozemarijn, sedum-soorten, berendruif, zonneroosje (Cistus), lavendel…

Bijzonder mooi is de blauwe strobloem (Catananche caerulea), waarvan de bloem enkel in de voormiddag open is.

Voor de geïnteresseerden: de plant werd in de oudheid gebruikt als afrodisiacum (Maza et al., 2008)

Ook opvallend is Leuzea conifera of kegeldragende centaurie, waarvan de bloeiwijze op een sparrenkegel lijkt.

Tonderkervel is een plant uit Los Mongros

Trementinaires
In Catalonië was er een groep vrouwen, de trementinaires, die op een bijzondere manier voor een extra inkomen zorgden. Een trementinaire was een vrouw die haar gezin verliet om maandenlange reizen te maken om te overleven en haar huishouden mee te onderhouden (Elisa, 2022). De naam is afgeleid van het woord trementina (terpentijn), aangezien terpentijn, gewonnen uit de hars van de grove den, een van hun meest gevraagde producten was. Hun kennis van natuurlijke hulpbronnen en de eigenschappen daarvan reikte echter veel verder dan dat. Het beroep werd mondeling doorgegeven van vrouw op vrouw. Ze verzamelden grondstoffen tijdens de late lente en zomer en trokken in twee periodes in de winter en het voorjaar rond om hun producten te verkopen. Terpentijnolie werd vooral gebruikt voor het bereiden van een zalf en werd meestal in de vorm van een kompres op een aangetast deel van de huid aangebracht. Deze terpentijnkompressen werden op grote schaal gebruikt tegen allerlei verschillende aandoeningen, zoals spierpijn, kneuzingen of verstuikingen, en zouden ook effectief zijn bij de behandeling van spinnen- en insectenbeten, zweren en infecties. Elke trementinaire had een eigen familiaal recept voor de terpentijnolie.
Trementinaires kwamen meestal uit de armste gezinnen, en hun kennis van kruiden was een manier om te overleven in een afgelegen regio. Naast kruiden verzamelden ze ook paddenstoelen om te drogen en in kralen te verkopen. De lokale omgeving bood een grote verscheidenheid aan kruiden met geneeskrachtige toepassingen, en het gebruik ervan vereiste kennis die enerzijds betrekking had op de identificatie en vindplaats, evenals het juiste moment en de wijze van verzamelen van de planten of bepaalde delen daarvan.
Naast de populaire terpentijnolie en ‘klassieke’ soorten als duizendblad en kamille maakten ze ook gebruik van specialere soorten. Ramonda (Orje de oso of berenoor) werd gebruikt als middel tegen aambeien, hoest en verkoudheid. Jasonia glutinosa, in het Spaans Té de roca of Té de Aragon, werd gebruikt als spijsverteringsmiddel of voor de behandeling van verschillende maag- en darmziekten. De soort wordt ook nu nog bestudeerd voor zijn medicinale eigenschappen (zie Valero et al., 2013, Valero et al., 2025).
De langbladige steenbreek werd toegepast als abortief middel voor mens en vee. Jeneverbes werd als antiparasitair middel gebruikt.
De trementinaires waren niet alleen de bewaarders van geneeskundige kennis dankzij de kruiden die ze in de bergen verzamelden, maar ook een bron van inkomen voor hun families. De goederen werden tijdens de reis opgeborgen in gemakkelijk te dragen stoffen tassen, kussen- of slaapzakken. De tassen, zo groot als balen, gaven aanleiding tot de figuur van de trementinaire, die overal waar ze langskwam herkenbaar was als een kenmerkend uniform van het beroep. Andere typische kenmerken van hun kleding waren de blikken waarin ze de oliën meenamen, een kleine sikkel om de kruiden te snijden en een kleine ijzeren weegschaal, waarmee ze de producten wogen.





















