Geschiedenis

Geschiedenis

Ondanks het schijnbaar eerder onherbergzame gebied is de streek al lang bewoond. Zo zijn er van de Neanderthalers een aantal sites bekend (Averbough et al., 2021)

De oudste rotsschilderingen gaan ver terug in de tijd. Voor de grotten in het noordwesten van Spanje gaan dateringen tot 48.000 jaar geleden, mogelijk teruggaand tot de Neanderthalers. (Pike et al., 2012). Ze tonen het dagelijks leven, jacht, vaak getekend met rode kleuren.

De oudste tekeningen stellen onder andere rendieren, holenberen en paarden voor. Later, na het einde van de ijstijd, komen daar ook herten en steenbokken bij. De meest recente tekeningen dateren uit de bronstijd, toen de jagers-verzamelaars al plaatsgemaakt hadden voor de landbouwers.
Men vindt de tekeningen vaak in ondiepe, moeilijk toegankelijke holtes.
De omgeving van de Rio Vero werd in 1998 door deze rotstekeningen geklasseerd als werelderfgoed.

Peinture préhistorique, cerf. Art levantin d’Espagne; ca. 6.000 v.Chr. Abri de Chimiachas, au Parc Naturell de la Sierra y los Cañones de Guara (Huesca, Espagne) wikimedia commons

 

Uit pollenanalyse blijkt dat vooral vanaf 5300 v.Chr. de Pyreneeën door landbouwers-herders gekoloniseerd werden. Er waren kuddes van schapen en geiten, en teelt van graan (Averbough et al., 2021).

Vertrekkende vanuit de vallei van de Ebro werd de zuidflank van de Pyreneeën het eerst gekoloniseerd. Men vindt uit die periode pollen van weegbree en brandnetel. Ontbossingen zijn echter nog beperkt.

Vanaf 3000 v.Chr., waarschijnlijk als gevolg van een nieuwe verbetering van het klimaat, volgde een tweede kolonisatiegolf, waarbij overal, ook op grotere hoogte, sporen van landbouw opduiken.

De dolmen van Tella en bij Arcusa, en de werktuigen gevonden in de vallei bij Ainsa dateren uit het 4de millennium v.Chr. (4000-3000 v.Chr.)

Tella, dolmen (wikimedia commons)

 

Na de Steentijd volgde de Bronstijd (2000 v.Chr.) met sporen bij Tella, Ainsa, Lecina, Abizanda, …

Uit de Steentijd dateert een werktuig dat tot in de streek tot 1960 gebruikt werd. Het gaat om de trillo, een voorwerp gemaakt van dikke planken, 1,6 meter op 0,6 meter, waarin 800 tot 1000 silex-scherven werden gestoken. Dit diende om het graan te dorsen. Zelfs Orwell (2000) beschrijft dit werktuig, maar ging er blijkbaar verkeerdelijk vanuit dat het om een soort eg ging.

Briet (1906) beschrijft de werking bij zijn bezoek aan de kloof van Entremont: “de traditionele methode, die de voorvaderen gebruikten, is in Haut-Aragon, waar onze min of meer geavanceerde dorsmachines nog geen voet aan de grond hebben gekregen, in gebruik gebleven. Een dubbele houten plaat, zeer hard en zeer dik, waaronder ofwel kleine, scherpe en puntige stukjes vuursteen, ofwel dunne ijzeren lamellen uitsteken, wordt in alle richtingen en zonder ophouden getrokken door een muilezel, die de gelijkmatige laag losgemaakte en verspreide schoven op de dorsvloer door elkaar woelt. Deze plaat is voorzien van een zadel: de bestuurder, meestal een jongen, zit hierop en verhoogt zo het gewicht van het werktuig.”

Ook Saint-Saud beschrijft de trillo: “Op de velden slepen de muilezels op een heel eenvoudige manier een plank voort waarop de muzo (een jongen) die hen leidt, in evenwicht zit; een werkelijk primitief systeem om de tarwe te dorsen.” (Saint-Saud, 1878)

trillo aan het werk: Juli Soler i Santalo (Wikimedia commons)

 

Vanaf 2000 v.Chr. namen de ontbossingen toe en werd het vee in de zomer meer en meer op grote hoogte gebracht.

In de IJzertijd volgden de Kelten, die zich snel integreerden (Celtibères). Ze exploiteerden vee, zout, olijven (sinds de 4de eeuw voor Christus in Aragon). Hun invloed is terug te vinden in de toponiemen: Bielsa, Boltaña, Cinca…

Ook de Romeinen lieten hun sporen achter en keizer Augustus stichtte Zaragoza (Caesarea Augusta).

Na het Romeinse Rijk kwamen de Visigoten, die het christendom invoerden.

De Sobrarbe kent nu nog 200 ermitages en veel kloosters. De Italiaan San Victorian vestigde zich in de 5de eeuw aan de voet van de Peña Montañesa. Bij zijn doortocht in Laspuña ontsprong als mirakel een bron …! Later bouwde men er een klooster dat er nu te bezichtigen is.

San Urbez is een andere heilige, geboren in 702 in Bordeaux. Hij vestigde zich in een grot in Vio, aan de voet van de Sestrales. De bovennatuurlijke kracht om het te doen regenen werd hem toegedicht. In de eeuwen daarna volgden meerdere pelgrimstochten om hem te eren en regen af te smeken.

In de 9de-10de eeuw loopt de bosoppervlakte sterk terug, deels als gevolg van de landbouw, deels voor de bevoorrading van de ijzerindustrie.

In 711 vielen de Moren Spanje binnen. In de decennia hierna wisten zij geheel Spanje en het zuiden van Portugal te veroveren. De uitbreiding werd voortgezet totdat de Moren de Pyreneeën bereikten. Daar maakten ze een niet-aanvalsverdrag met Karel de Grote van Frankrijk

De Moren brachten niet alleen een andere taal en religie, maar ook een geheel nieuwe samenleving.

Vanaf ongeveer 800 begon vanuit de provincie Huesca de Reconquista, waarbij de Moren door de Christenen teruggedrongen werden.

Her en der vindt men nog de sporen terug van deze Moren en de Reconquista: van de tot ruïne vervallen toren in Arcusa, het uitkijkpunt van Santa Maria de Buil, het kasteel van Ainsa tot, meer naar het westen, het imposante kasteel van Loarre.

het kasteel van Loarre in 1886, comte de Saint-Saud

 

Ook het pittoreske dorp Alquézar, midden in de Guara, is van oorsprong Moors, maar het werd in 1065 heroverd.

Toen de Moren verslagen werden, bleven velen van hen toch achter en werden ze Mudéjar genoemd. Zij mochten hun geloof behouden, maar dienden daarvoor een speciale taks te betalen. Onder het bewind van de Moren gold overigens eenzelfde regeling voor de christenen. Dit betekende ook dat in veel gebouwen vanaf de 12de eeuw nog veel Moorse invloeden zichtbaar zijn. De Mudéjar-architectuur van Aragon staat op de lijst van het werelderfgoed.

De moslims waren vaak ambachtslieden (bouw) of landbouwers en hun kennis en werkkracht kwamen goed van pas.

De Moren gebruikten ook hun kennis van irrigatie om in de Ebrovallei landbouwgronden in cultuur te brengen. In 1610 werden de Moren gedwongen Spanje te verlaten, wat grote economische gevolgen had.

Tussen de valleien in Spanje en Frankrijk gebeurde veel handel en werd er gesmokkeld: vee, saffraan, munten, wijn, zout (bewaren voedsel en voor het vee), ertsen, olijfolie, wol, zijde, ezels, graan, tarwe, hout, boter, kaas … passeerden officieel en officieus de grens in beide richtingen.

Ramond (1792) spreekt met veel respect en sympathie over deze smokkelaars: “Wat mij betreft, alleen en ongewapend, ben ik ze zonder zorgen tegengekomen en heb ik ze zonder vrees ontmoet (…) De smokkelaar uit de Pyreneeën heeft me op de geheime paden ontvangen. Gewapend zou ik hun vijand zijn geweest; ongewapend hebben ze mij gerespecteerd. Vanuit dat vertrouwen draag ik al lang geen wapen meer.” En wanneer een Spaanse carabinieri een smokkelaars doodschoot, was de reactie: “De carabinieri werd door iedereen verafschuwd, terwijl het slachtoffer, een jonge man die door de hele buurt geliefd was, door iedereen betreurd werd.” En Ramond is zowaar profetisch: “Ach! Ooit zal het onder de naties ongetwijfeld een algemeen aanvaarde werkelijkheid zijn dat er geen grenzen zijn voor de handel; geen belemmeringen voor de vrije uitwisseling van landbouw- en industrieproducten.”

 

smokkelaar, Pingret 1834 (Wikimedia commons)

 

carabinieri, 1892, foto Trutat

 

Naargelang de conjunctuur gingen Fransen in Spanje seizoensarbeid uitvoeren (oogsten van olijven, hooien, …) of omgekeerd. Naargelang de politieke toestand vluchtten Spanjaarden naar Frankrijk of omgekeerd.

Het weer speelde de inwoners van de Pyreneeën en de Guara vaak parten. Regelmatig was het weken te droog, waardoor de oogst verdorde en er om regen werd gesmeekt. Als die er uiteindelijk kwam, was dat niet zelden in de vorm van zwaar onweer dat het restantje oogst om zeep hielp.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat er middeltjes uitgevonden werden om het te doen regenen. Ook heiligen werden daarbij aangesproken, zoals San Urbez.

De ‘esconjuradero’ is een vierkant gebouwtje, vaak in de buurt van de kerk, van waaruit de priester al naar gelang de behoefte de regen kon afsmeken of het onweer een andere richting kon uitsturen. Bij onweer werden ook de klokken geluid; alle beetjes helpen. Naast de kerk van Guaso staat een mooi voorbeeld van zo’n esconjuradero.

“Bij het naar buiten gaan valt een klein gebouw op; het staat iets afgezonderd van de kerk en heeft aan elk van de vier zijden een opening: het is een oude “conjurador para las tormentas”, die niet alleen al sinds onheuglijke tijden dient om stormen af te wenden, maar ook nog steeds wordt gebruikt tijdens de Rogatieceremonie (zegening van de velden)” (Briet, 1906_b).

 

Esconjuradero Guaso (wikimedia commons)

 

In de 17de eeuw was de luxe in Spanje voor de adel en de kerk zo groot dat, in analogie met onze ijskelders, in de bergen ijs bewaard werd om de drankjes te koelen. Men schat dat in 1638 elke dag 100 kg ijs in Ainsa geleverd werd voor het kasteel en geestelijken.

transport van ijs, Juli Soler i Santalo, Wikimedia Commons

Op grotere hoogte was er vaak geen water en haalden de herders hun drinkwater uit sneeuw of ijs (Schrader, 1877)

Tot de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw bleven de Guara en de Pyreneeën een geïsoleerd gebied, maar waren ze relatief dichtbevolkt, waarbij elk stukje grond gebruikt werd. Granen waren het basisvoedsel, proteïnen werden geleverd door varkens en kippen, tevens afvalverwerking en mestleveranciers, en door geiten die kunnen grazen in de onvruchtbare stukken. Kapitaal kwam van de schapen door de verkoop van wol. Schapen zorgden tevens voor levensnoodzakelijke bemesting. Runderen werden ook gebruikt voor het werk op het land (Puigdefábregas & Fillat, 1986).
Tot hoog in de bergen (1950 meter) waren er akkers met een lange groeiperiode van augustus tot september van het volgend jaar. (Montserrat & Fillat, 1990). De rogge op deze akkertjes was bedoeld voor het bakken van brood, pan, vandaar de naam panares. Een oogst werd afgewisseld met een jaar braak. Om erosie tegen te gaan, werden terrassen aangelegd en werd water omgeleid. Ook haver werd tot grote hoogte verbouwd: “We vervolgden onze tocht over vrij glooiende hellingen, door akkers waar we op meer dan 1300 meter hoogte mooi groeiende haver zien staan” (Belloc_b, 1902).

verlaten terrassen in de buurt van Bestué
Panares Yeba, Briet, 1909

 

In elk huis, casa, woonde een familie, drie generaties samen. De familie was de basis van de sociale organisatie en noodzakelijk om in de moeilijke omstandigheden te kunnen overleven. De integriteit van het gezin stond voorop, waarbij het belang van het individu ondergeschikt was. Eén kind, volgens Pallaruelo (1993) niet noodzakelijk het oudste, erfde alles en werd hoofd van de familie. De andere kinderen konden hopen op een huwelijk met een erfgenaam elders, of ze bleven thuis, maar dan hadden ze maar het statuut van de andere knechten en waren ze dus goedkope arbeidskrachten. Als ze trouwden, kregen ze een bruidschat. Bij de casa hoorden ook de bijgebouwen, het vee, de velden, de bossen en uit alles wat, in het algemeen, het erfgoed vormt. De bedienden en, bij rijkere casas, de in loondienst werkende herders maakten ook deel uit van het huis. Dit systeem zorgde ervoor dat de hoeveelheid vee ongeveer gelijk bleef en de draagkracht van de omgeving niet overschreed.

Aan het einde van de 19de eeuw was de bevolking zo groot dat het leidde tot uitputting van de bodem en het opdrogen van de bronnen: “De buitensporige ontbossing van de bergketens was een ware ramp voor Haut-Aragon, waar men zich nauwelijks realiseerde dat een gekapte boom in een vallei een druppel minder water betekende voor het watersysteem. En hoe kunnen al deze problemen nu worden verholpen? De humuslaag, waarvan het plantaardig afval de bodem had bemest, is door de regen weggespoeld, waardoor elke poging tot herbebossing zinloos is geworden” (Briet, in Dalzin)
“Bij elke stap komen we enorme omgehakte bomen tegen, grof in stukken gezaagd, die opgestapeld liggen; het is een ware slachting. Ze wachten op transport naar de valleien. Die uitgestrekte bossen, zo dichtbegroeid en overwoekerd, leveren dagelijks uitstekend bouwmateriaal op. Maar het kappen wordt zonder enige zorg uitgevoerd; zo zal er een dag komen dat de voorraad opraakt, en de vernietiging zal de ondergang van het land betekenen.” (Gourdon, 1890)

Schapen waren zeer belangrijk voor de bergdorpen. Tot de 16de eeuw bestond er een systeem dat niet alleen voor een zekere sociale gelijkheid zorgde, maar tevens de ecologische draagkracht respecteerde (Echegaray, 2011).
Een groep grazende schapen op de weiden in de bergen kan er dan wel vredig uitzien, toch waren er vaak conflicten over het gebruik van deze graasweiden. De conflicten ontstonden niet alleen tussen dorpen in de bergen onderling, tussen de herders van de bergen en de herders van de Ebro-vallei, maar waren ook grensoverschrijdend. Voor deze laatste bestonden er reeds  in de 14de eeuw verdragen, lies et passeries, die, naast het garanderen van vrije handel, het gebruik van deze voor de boeren levensnoodzakelijke graasweiden boven de boomgrens tot in het detail regelden. In de bergen primeerden deze overeenkomsten zelfs boven de conflicten tussen Spanje en Frankrijk.
Ook tussen dorpen onderling bestonden dergelijke overeenkomsten, alera foral genoemd. De kudden van een dorp konden daarbij op de bergweiden, estives,  van een ander dorp gaan grazen op voorwaarde van wederzijdsheid. Bijkomende voorwaarde was dat de herders iedere avond moesten terugkeren, de sol a sol y era a era (van zonsopgang tot zonsondergang en van schuur tot schuur). Van veel bergweiden werd het gebruik door een aantal dorpen gedeeld. Voor enkele valleien was het verhuren van hun bergweiden aan schaapsboeren uit de Ebro-vallei een belangrijke bron van inkomsten (Echegaray, 2011).

Sommige herders waren in dienst bij grote landeigenaren: “Deze Spaanse herders maken noch boter noch kaas. Als huurlingen, in dienst van rijke landeigenaren uit Aragon, drijven ze als nomaden ontelbare schaapskuddes die speciaal voor hun wol worden gehouden, enkele koeien om kalveren te fokken, merries met hun veulens, en ten slotte geiten waarvan de melk dient als voedsel, samen met heel lekker brood uit hun eigen streek en het vlees van de schapen die hier en daar van de rotsen storten. (in andere publicaties is te lezen dat de herders dat soms met opzet deden; het waren toch hun schapen niet). Boter is voor hen een ware lekkernij, en wanneer ze goed met de Franse herders kunnen opschieten, wat niet altijd het geval is, komen ze erom vragen en geven ze in ruil daarvoor een beetje van hun mooie tarwebrood waar de Fransen naar verlangen, en vooral enkele stukken schapenvlees.” (Ramond de Carbonnières, 1931)

Tot ver in de 20ste eeuw gebeurde er een transhumance. In de zomer begraasden de schapen de bergweiden. In de winter bleef een klein deel van de schapen rond het dorp en graasde daar onder andere op de stoppels en het struikgewas. Ze werden ook bijgevoerd met bladeren van eik, es en iep. In de herfst werden er daarvoor takken gekapt en gedroogd.
Het merendeel van de schapen leidde men echter in de winter (november tot half mei) naar de Ebrovallei (Los Monegros). Daar bestond het landschap uit een mix van steppe, graanstoppels en braakliggende akkers. De afstand die opliep tot 180 km werd in 6 à 10 dagen afgelegd. Deze transhumance verliep langs eeuwenoude trajecten, de cabañeras. (Daumas, 1976). Een van deze cabañeras liep van Ainsa via Olson en Naval naar Barbastro.

Volgens Braun-Blanquet & De Bolos (1987) overwinterden rond 1600 alleen al in het grensgebied aan de oever van de Navarra ongeveer 300.000 stuks vee, afkomstig uit de Pyreneeën. In 1858 was dit enorme aantal gedaald tot 163.400 schapen en 1.760 runderen

 

 

Door ontvolking (minder goedkope werkkrachten), veroudering van de bevolking, duurdere lonen voor de herders en de irrigatie van de steppe verdween dit systeem van transhumance. Daardoor verminderde het aantal schapen drastisch ten voordele van koeien. (Garcia-Ruiz & Lasanta-Martinez, 1990). Omdat de schapen nu in de winter rond de dorpen bleven, verschenen ook de stallen in het landschap. Koeien kunnen enkel op eerder vochtige, niet te steile bergweiden grazen, waardoor deze nu overbegraasd worden en andere bergweiden verlaten worden. Bovendien had dat invloed op het landgebruik in de lagere delen, omdat daar nu veevoer moest worden geteeld.

 

Het bestaan in deze streek was hard en de mensen arm: “Het toont eens te meer het ellendige bestaan aan van negentig procent van de Spaanse bergbewoners. Het grootste deel van wat ze verdienen, gaat op aan exorbitante belastingen. Ik heb me vaak enkele cijfers laten geven; die bereiken ongekende proporties en bedragen soms bijna hun hele inkomen. Deze arme mensen zijn ontevreden, en terecht, want er wordt maar weinig voor hen gedaan; maar ze hebben een grote filosofie en veel berusting. “Zo waren onze vaders”, zeggen ze, “zo zullen onze kinderen zijn; we zijn ongelukkig, maar klagen heeft geen zin” (…). Daarin vergissen ze zich; het Spaanse volk is niet ten dode opgeschreven. Integendeel, er zijn onbegrepen en immense rijkdommen, zowel bij de mens als in de bodem, maar er zou, denk ik, een goed en integer bestuur nodig zijn, en helaas!… Laten we deze brandende kwesties maar rusten.” (Saint-Saud, 1885).

Briet schreef in 1909 over de Sierra de Guara: “deze streek is zo ver achtergebleven bij de vooruitgang dat de meeste inwoners genoegen nemen met het leven ter plaatse (…). De ongelukkige Aragonees, die al lang gewend is aan de troosteloosheid om hem heen, acht het zinloos deze van zich af te weren, en buigt zich, fatalistisch als de Arabier, voor het lot, zonder zelfs maar te proberen het stukje muilezelpad naast zijn huis te verbeteren.”

Onder andere vanuit Aragon trokken tussen 1880 en 1935 veel vrouwen naar Frankrijk om er in de fabrieken espadrilles te maken. Omdat ze vertrokken in de herfst en in de lente terugkwamen, kregen ze de naam hirondelles. (Diaz, 2018)

Tijdens de burgeroorlog waren grote delen van Aragon en de Pyreneeën Republikeins en vochten ze tegen Franco. Meerdere dorpen werden platgebombardeerd. Uiteindelijk werden de Republikeinen verdreven door de Nationalisten. Eén van hun laatste bolwerken was Bielsa, waar ze standhielden tussen 14 maart en 15 juni 1938 (Bolsa de Bielsa). Na hevige bombardementen door Franco werd Bielsa op 16 juni opgegeven en vluchtten de overlevende Republikeinen en een deel van de burgerbevolking (en met hen 15.000 stuks vee) naar Frankrijk: retirada. Veel vluchtelingen kwamen in het kamp van Argelès-sur-Mer terecht.
Als represaille voor de weerstand liet Franco hele dorpen verhuizen, onder andere naar de Ebro-vallei. Ook deze fase zorgde voor de ontvolking van Haut-Aragon.

retirada

 

In the hills round Zaragoza we’re waiting to attack
A knot of dirty men that shiver round their flag
The boredom and the lack of sleep
The tin cans in the mud
Red is the colour of our blood
We never never never never never stop never stop
I have seen the trenches and the blankets on dirt
I have seen the tears upon a farewell letter
I have seen the faces that no bullet can hurt
I have seen the spirit that no bomb can shatter

Sketches of Spain, The Nits

Tijdens de Tweede Wereldoorlog probeerden veel mensen via de Pyreneeën te vluchten naar Spanje en Portugal. Zie daarvoor onder andere het uitstekende boek van De Vlam (2020). Tussen 1939 en 1945 hield Spanje zich buiten het conflict. Aanvankelijk verklaarde het zich als niet-oorlogvoerend land; vanaf 1 oktober 1943, toen Franco inzag dat de kansen in de oorlog keerden, stelde het zich neutraal op.

Naast geallieerde soldaten van alle nationaliteiten en werkweigeraars was daar ook een grote groep Joden die de oversteek probeerde. Die groep was in vergelijking met de anderen nog minder aangepast voor deze tocht: veel oudere mensen en kinderen, zonder geschikte kleding, vaak ondervoed, vermoeid en met veel te veel bagage. Veel mensen overleefden de gevaarlijke overtocht dan ook niet of liepen zware verwondingen op.

Voor de oversteek moest men een beroep doen op passeurs. Dat waren berggidsen, ski-monitoren,  geoefende wandelaars, Spaanse arbeiders uit de mijnen of elektriciteitscentrales, herders, jagers, vissers, stropers en smokkelaars. Sommigen behoorden tot een netwerk, anderen opereerden op eigen houtje.

De controles gebeurden eerst door Fransen en Spanjaarden, maar na de Duitse bezetting van de zogenaamde vrije zone (1942) kwamen daar ook de Duitsers bij, met onder andere de gebirgsjäger, met als symbool een edelweiss op de pet en vaak afkomstig uit Oostenrijk. Daardoor werd de overtocht nog gevaarlijker en moest men uitwijken naar de hogere, en dus gevaarlijkere, passages. Ferrer (2018) geeft een voorbeeld van zo’n traject dat vanuit Frankrijk in Spanje eindigt in Espierba, een afstand van ongeveer 50 km. De passeur deed daar 24 uur over als het ging om het smokkelen van documenten, 36 uur als het ging om personen. In het laatste geval ging het van Espierba verder naar Biela. Daar werd men meestal opgevangen door de carabinieri. Nadat hij zo’n 700 à 800 ontsnapten had zien arriveren in Bielsa, vroeg de burgemeester die het geld voor eten en verder transport moest voorschieten, steun van Zaragoza. (Eychenne, 1998).

Volgens Eychenne (1998) lukten 3 van de 4 overtochten. Hoeveel mensen er uiteindelijk de overtocht maakten, is onzeker. Eychenne schat tussen de 15.000 à 50.000 mensen.

Na contact met de Guardia Civil werd men vaak gearresteerd en opgesloten, onder andere in Barbastro. Daarbij moest men meestal de laatste waardevolle spullen die men nog had, afgeven. Een groot gevangenenkamp bevond zich in Miranda de Ebro. Daar moest men vaak maandenlang in miserabele omstandigheden verblijven. Dat kamp werd ook tijdens de Spaanse Burgeroorlog gebruikt. Ontworpen voor een honderdtal gevangenen, verbleven er tot 3000 mensen!

Ook na de bevrijding probeerde men nog de Pyreneeën over te steken, maar nu ging het om collaborateurs en Duitsers …

Volgens Eychenne (1998) waren er zo’n 2500 passeurs actief. 1031 daarvan ondervonden op een of andere manier de gevolgen van hun werk – deportatie, gevangenschap, verwondingen – en 161 lieten er het leven bij.

Over de passeurs deden na de oorlog de wildste verhalen, légendes noires, de ronde, sommige verzonnen, sommige waar. Zo was er in 1953 een rechtszaak tegen de passeur Cabrero. Bij de groep die hij begeleidde door de bergen was er één die door fysieke problemen niet meer mee kon. Cabrero liet de man achter in een refuge en bracht de rest van de groep in veiligheid. Daarna keerde hij terug en doodde de man. Op het proces verdedigde hij zich door te zeggen dat de consignes van het netwerk duidelijk waren: “Het was beter om de ernstig gewonde klanten te doden dan hen in de bergen achter te laten of vanwege hen de veiligheid van het geheel in gevaar te brengen.” Wegens zijn verdiensten voor het verzet werd Cabrero vrijgesproken. Het gebeurde dat passeurs hun ‘lading’ achterlieten in de bergen, of dat ze de mensen te vroeg aan hun lot overlieten, of zelfs de passeurs de Duitsers tipten, tegen betaling en in ruil voor een deel van de goederen die de mensen bij zich hadden. Eychenne schat het aantal malafide passeurs op 41 op het totaal van 2500.

Een van de netwerken was het Belgische Comète, opgericht in 1941 en geleid door Andrée De Jongh en haar familie. Dit netwerk, waaraan tot 1700  mensen meewerkten, redde een 700-tal, voornamelijk piloten. Van de medewerkers stierven er 156, gefusilleerd of gestorven in Duitsland (De Vlam, 2020). Opvallend aan dit netwerk was het grote aantal vrouwen dat eraan meewerkte, ook op belangrijke posten.

Na 1939 werd onder impuls van Franco het gebied ontsloten en werden er meerdere stuwdammen en hydro-elektriciteitscentrales aangelegd. Ook daarbij verdwenen volledige dorpen. Een triest voorbeeld is het dorp Janovas bij Boltaña. In 1900 telde dit dorp 246 inwoners. Ook in deze vallei werd reeds in 1917 een dam gepland. Het was uiteindelijk onder Franco dat de inwoners uit hun huizen werden verdreven. Als inwoners hun huis verlieten, werd het verlaten huis opgeblazen zonder rekening te houden met de overgebleven inwoners. In 2001, na een jarenlang juridisch steekspel, sociale mobilisatie en milieuacties, werd een milieueffectenrapport over het project opgesteld om zo tegemoet te komen aan de nieuwe Europese richtlijn. Het resultaat was negatief, maar pas in juni 2008 maakte het Ministerie van Leefmilieu de stopzetting bekend van de bouw van de waterkrachtcentrales van Fiscal en Jánovas, op de rivier de Ara, en die van Escalona-Boltaña, op de rivier de Cinca. (https://www.mo.be/extra/de-verzonken-dorpen-de-pyreneeen)

Onder Franco kende het ultraconservatieve Opus Dei een grote bloei. Het pompeuze gebouw in Torreciudad (1975) werd door de stichter van Opus Dei opgericht op de plaats van een vroegere Morennederzetting.

Vanaf de jaren 60 van de 20ste eeuw veranderde de landbouw zodanig dat vele kleine dorpjes in de Guara en Pyreneeën met hun bijna autarkisch landbouwsysteem geen bestaansredenen meer hadden. Bovendien waren veel dorpen nauwelijks bereikbaar voor de vele machines die hun intrede deden in de landbouw. Dit alles veranderde het landschap grondig (zie Puigdefágras & Fillat, 1986).

Hele dorpen werden verlaten. Volgens Parrarueleo (1993) waren er begin de jaren 90 zo’n 150-200 verlaten dorpen in de Aragonese Pyreneeën. Deze zijn nu een bezoek meer dan waard! (zie verlaten dorpen)

Baguëste

 

Na de dood van Franco (1975) en de toetreding van Spanje tot de EU (1986) nam het toerisme een grote vlucht – mede door de natuurparken – en werd het gebied meer en meer ontsloten. Gelukkig bleven hier de skipistes en bijhorende infrastructuur grotendeels beperkt.

In de diepe kloven wordt de rust wel verstoord door hordes op zoek naar de kick van het canyoning.

Toeristenconcentraties zijn er bv. rond Ordesa, maar als je een beetje uitkijkt, kan je nog steeds uren wandelen zonder nauwelijks een levende ziel tegen te komen.

Het groeiende toerisme in het zuiden van Spanje en het watertekort leidde zelfs tot een megalomaan project waarbij water van het noorden via 1000 km pijpleidingen in het zuiden de douches en golfterreinen zou moeten bevoorraden. Tot nu toe is het gelukkig gebleven bij plannen …