“In Haut-Aragon ademen sommige valleien nog steeds de sfeer van ongerepte natuur; men hoort er geen bellen van postkoetsen, laat staan het gefluit van de spoorwegen. Hun smalle passages zijn nog niet aangepast of vakkundig uitgehouwen om plaats te maken voor berijdbare wegen die, ondanks hun nut, het nadeel hebben dat ze de schilderachtige sfeer, die ze juist beter toegankelijk zouden moeten maken voor wandelaars, gedeeltelijk tenietdoen. Vandaar een werkelijke superioriteit, waardoor ze door iedereen die ze heeft doorkruist steevast worden gerekend tot de meest gerenommeerde kloven ter wereld” (Briet, 1903)
De Spaanse kant van de Pyreneeën werd pas later verkend dan de Franse kant. “Zodra je echter de grens oversteekt, verandert alles wat met vervoer te maken heeft plotseling. Het “ruige land van Iberië” heet je op harde wijze welkom; er is nauwelijks voedsel voor lichaam of geest, en de accommodatie voor mens of dier schiet tekort, simpelweg omdat er naar beide weinig vraag is. Geen enkele Spanjaard komt hier ooit voor zijn plezier; vandaar dat de streek is overgelaten aan de smokkelaars en de gemzen.” (Ford, 1861)

Het respect van deze Ford voor de Spanjaarden is niet al te groot: de bergbevolking omschrijft hij als een “achtergebleven, halfbeschaafde bevolkingsgroep” en “De inheemse bevolking, voor zover het geen smokkelaars of guerrillastrijders betreft, is ruw, eenvoudig en herderlijk: ze zijn arm en pittoresk, zoals mensen die in de bergen wonen nu eenmaal zijn.” Maar, niet verwonderlijk voor een Engelsman, ook de Fransen moeten eraan geloven: “De jacht aan de noordkant (de Franse kant) is veel minder interessant, aangezien de koks van de table d’hôtes een ‘oorlog met mes en vork’ hebben gevoerd tegen zelfs de kleinste vogeltjes; maar de Franse ‘artiste’ jaagt zelfs op kleine visjes, aangezien alle sportiviteit en eerlijk spel worden geminacht en alles plaatsmaakt voor de kookpot.”
Een nog onvriendelijker oordeel vinden we verder terug in de tijd bij De Froidour (1892), die in zijn hoedanigheid van Grand-Maître des Eaux et Forêts op het einde van de 17de eeuw een deel van de Franse Pyreneeën bezocht: “Wat de bergbewoners van de Pyreneeën betreft: ze zijn allemaal, zonder uitzondering, bruut, verraderlijk en wreed, opgegroeid te midden van moorden en moordpartijen, met niet meer verstand dan beren.” Het Spaanse ‘bergvolk’ zijn “meestal schurken en dieven, bewapend met zwaarden en dolken, musketten en drie of vier pistolen.” (De Froidour, 1899)
Het waren vooral Franse ‘Pyrénéistes’ die er in het begin actief waren in de Spaanse Pyreneeën. Het pyréneisme bestaat uit een mix van sportieve, intellectuele en artistieke aspecten. De bereikbaarheid in de 19de eeuw vanuit Frankrijk was beter dan vanuit Spanje. Sommige van de pioniers, zoals Briet en Saint-Saud, trokken ook naar de Sierra de Guara om er hoogtemetingen te doen en het gebied in kaart te brengen. De paar verwijzingen naar Aragon die je in het Spaanse tijdschrift Butletti de la Associació d’Excursións Catalana op het einde van de 19de eeuw vindt, zijn vertalingen van Saint-Saud en Goudron.
Daar waar het Russell eerder te doen is om het bedwingen van bergtoppen en het beleven van de mystiek van de bergen en de natuur, combineren mannen zoals Schrader, Saint-Saud en Briet een benijdenswaardige fysiek, met vaak gevaarlijke passages, een wetenschappelijke nieuwsgierigheid en een liefde en bewondering voor de bergen
Bij het overzicht van deze pioniers moeten we wel bedenken dat dit alles zich afspeelt tegen de achtergrond van internationale en nationale conflicten: de Franse Revolutie, de Spaanse onafhankelijkheidsoorlog (1808-1814) en de Frans-Duitse oorlog in 1870. Zo werd citoyen Ramond wegens zijn politieke opvattingen in 1794 gearresteerd als ‘vijand van de Revolutie’ en 7 maanden opgesloten. Enkel dankzij zijn relaties ontsnapte hij aan de guillotine. Ook Picot De Lapeyrouse werd in de naweeën van de Revolutie een jaar opgesloten.
Ramond de Carbonnières (1755-1827), père du pyrénéisme
Ramond publiceerde artikelen over geologie en flora. Om te achterhalen hoe de Pyreneeën opgebouwd waren, wou hij kost wat kost de Monte Perdido, Mont-Perdu, onderzoeken. In 1797 ondernam hij twee tochten; de eerste gebeurde in gezelschap van Picot de Laspeyrouse (zie verder). De twee waren het grondig oneens over de rol van de kalksteen in de opbouw van de Pyreneeën (maar ze kwamen wel over meerdere zaken niet overeen …). Al bij die eerste beklimming krijgt hij gelijk door de ontdekking van fossielen van zeedieren in de kalksteen. Dat is een belangrijke ontdekking in een periode waarin men nog benul had van de platentektoniek: hoe kwamen die fossielen op die hoogte terecht? Bij die eerste tocht verzamelt hij meerdere planten voor zijn herbarium, onder andere gletsjerboterbloem (Ranunculus glacialis).
Pas in 1802 slaagde hij erin om, dankzij het werk van zijn gidsen, ook de top te bereiken.
In de Franse flora (De Lamarck & De Candolle, 1815) wordt Ramond meerdere keren vernoemd. De plant ramonda (Ramonda myconi) is later naar hem vernoemd.
Zijn herbarium is online te raadplegen.


Philippe Picot de Lapeyrouse (1744-1818)
Picot de Lapeyrouse is van alle pioniers misschien het minst een pyrénéiste, in die zin dat hij niet voor het plezier en de romantiek de bergen intrekt. Hij publiceerde meerdere artikelen over de geologie, fossielen, zoogdieren en planten in de Franse Pyreneeën. De wetenschappelijke naam van een aantal planten kreeg het achtervoegsel Lapeyrouse. Tot zijn grote spijt en frustratie kan hij in 1797 Ramond niet volgen bij zijn expeditie naar de Monte Perdido, maar moet hij onderweg achterblijven. De verbazing van de lezer van het tijdschrift Journal des mines (1797-1798) zal ongetwijfeld groot geweest zijn om in één nummer twee verslagen van dezelfde expeditie naar de Mont-Perdu te lezen. In plaats van samen te werken, publiceren beiden immers hun bevindingen. De Lapeyrouse ‘vergeet’ daarbij te vermelden dat hij halverwege moest afhaken.
Dat wetenschappers het onderling niet eens zijn, is van alle tijden, maar de Lapeyrouse gaat soms wel heel fel, om niet te zeggen onbeschoft, tekeer tegen zijn ‘concullega’s’.
Vijftig jaar na zijn eerste reis naar de Pyreneeën publiceert Picot de Lapeyrouse het werk waaraan hij zo lang heeft gewerkt, onder de titel Histoire abrégée des plantes des Pyrénées et itinéraire des botanistes dans ces montagnes. Er worden meer dan 2800 soorten en 800 variëteiten beschreven die in de Pyreneeën groeien. Later volgt daarop nog een supplement. De flora bestrijkt het gehele gebied van de Pyreneeën van oost naar west en omvat zowel zeldzame als de meest voorkomende planten. Hoewel de Spaanse kant enigszins onderbelicht is, vormt dit document de eerste flora van de gehele Pyreneeën. Hij beschrijft ook voor de eerste keer een paar endemen. In zijn herbarium verzamelde hij 3500 planten. Het bevat een aantal verdwenen soorten, sommige als gevolg van de verzamelwoede van botanici … (Thèbe, 2017).
Hij schreef ook een artikel (1798) over het sneeuwhoen, een soort die door zijn kleurveranderingen bij de ornithologen voor nogal wat verwarring zorgde, en over de zwarte tapuit (1790).

Campanula speciosa, Picot de Lapeyrouse, 1795

Henry Russell (1834 – 1909)
Russell was een Franse avonturier en bergbeklimmer.
Hij schreef het boek Souvenirs d’un montagnard, waarin hij zijn belevenissen, zijn liefde voor de bergen en beschrijvingen van de bergen combineerde met filosofische overdenkingen. “Hoe verder we ons van de natuur verwijderen, hoe minder gelukkig we zijn: en dat is minder verrassend dan ooit, want alles gaat mis om ons heen.” (Russell, 1906)

Russell in zijn slaapzak van schapenhuiden
“Mijn slaapzak in schapenhuiden (…) is niet alleen mijn vriend, mijn beschermer en soms zelfs mijn redder geworden tijdens menig sneeuwstorm, waarin ik zonder hem zeker zou zijn doodgevroren. (…) Dankzij hem ben ik nooit ziek geweest sinds ik heb geleerd om onder de sterren te slapen in de koudste gebieden van de Pyreneeën” (Russell, 1906)
“Drie wolven waren op een lam gesprongen. Nadat ze aan mijn slaapzak hadden gesnuffeld, sleurden ze het lam mee! Het was de eerste keer dat ik voor een lam werd aangezien! De herders verschenen plotseling weer en haastten zich in het donker met hun enorme honden op zoek naar de vijand (…) en ik voelde echt een beklemming in mijn hart, toen ik het gehuil van de wolven hoorde, dat zich lange tijd vermengde, in die zwarte eenzaamheid, met het woeste geblaf van de honden, en dit alles weerkaatst door duizend echo’s.” (Russell, 1878)


Men kan zich afvragen hoe veilig het was om in die tijd door de Pyreneeën te trekken. Russell vertelt in zijn boek over een gewelddadige overval op hem en zijn gezelschap in juli 1870. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er, inzoomend op zijn foto, een revolver te zien is. En bij Lequeutre, een van de slachtoffers, zat de schrik er achteraf goed in: “Het is een feit dat men zich hier volledig geïsoleerd van de wereld voelt en toen ik in de verte stemmen hoorde, greep ik instinctief naar mijn revolver en waren we allemaal op onze hoede. (Lequeutre, 1871)
Volgens Briet (1922) was die echter een uitzondering: “Zo’n onfortuinlijk avontuur is inderdaad nooit meer voorgekomen bij de vele buitenlanders die sinds 1870 vaak de Spaanse kant hebben bezocht. Het land van de gargantos en de barrancos is net zo veilig als de Franse Pyreneeën”. De Lacaze du Thiers (1881) beaamde dit: “Net zo min als geesten zijn er in Aragon moordenaars”.
Te oordelen naar een tekening van Pierre Gorse bestonden er wel degelijk vooroordelen … De tekening die vermoedelijk uit 1860 dateert, dateert wel van voor Russell, Schrader, Saint-Saud en anderen de Spaanse kant verkenden.

Na 20 jaar rondtrekken in de Pyreneeën besloot Russell het wat rustiger aan te doen en zocht hij een vaste plaats van waaruit hij van de bergen kon genieten. Zijn keuze viel op de Vignemale (3298 meter), in de buurt van de gletsjer. Omdat hij een bouwwerk te lelijk, te fragiel en te moeilijk te verwarmen (met hout) vond, koos hij voor het uithouwen van een grot. Na eerdere, vruchteloze pogingen was de eerste hut in 1882 klaar. Er volgden in de jaren daarop nog 6, waarvan de derde (1886) was voorzien voor de dames … Omdat de gletsjer toen nog in omvang toenam, werd deze laatste een paar meter hoger uitgehouwen, maar toch was ze een groot deel van het jaar ontoegankelijk door het ijs.
“De gletsjer rukt steeds verder op, en al snel raken mijn arme grotten voorgoed bedolven onder de sneeuw, (…) De enige die gedurende vijf jaar (1889-1894) uit haar ijzige graf tevoorschijn is gekomen, is die van de dames” (Russell, 1902).
Russell beschrijft er ook het gezelschap van drie ‘vinken’. Gezien de hoogte en de nabijheid van de gletsjer zullen dit waarschijnlijk eerder sneeuwvinken geweest zijn.
Nu is er bij die eerste grotten al lang geen sneeuw meer te bespeuren; de gletsjer is verdwenen. Nog drie andere grotten volgden, maar nu 800 meter lager, onder de gletsjer. De heimwee naar de gletsjer was echter groot en er volgde een zevende grot, nu op 3280 meter hoogte. Het vergde vier arbeiders zes weken om een grot van 8 m³ te maken, waarbij ze in miserabele omstandigheden op die hoogte moesten werken en overnachten. Het jaar daarop kwam daar nog 8 m³ bij, deze keer met behulp van dynamiet! In 1889 werd hij, overigens op zijn eigen verzoek, eigenaar van 200 ha bergtoppen en gletsjer op de Vignemale. Hij moest eens weten hoe het de gletsjers vergaan is …

Franz Schrader (1844-1924)
Schrader doorkruiste de Pyreneeën en verrichtte er cartografische en geografische studies, waarbij hij onder andere de Monte Perdido en omgeving in kaart bracht: “het is niet eenvoudig om kaarten te maken in een dergelijk gebied. Alles werkt je tegen: de kou, de vermoeidheid, het gebrek aan drinkwater op de toppen, de ijle lucht, de noodzaak om een volledig kampement en proviand voor meerdere dagen mee te slepen, en ingewikkelde apparatuur.” (Schrader, 1875). Hij was de eerste die de Escuaín-kloof beklom. Met de orograaf ontwikkelde hij zelf een instrument om de bergen te kunnen tekenen. Schrader was bovendien een begenadigd schilder.



Schrader had meestal een goed contact met de mensen die hij in Spanje tegenkwam en neemt in Bielsa deel aan het plaatselijke feest: “Ik was alleen van plan om deze natuurlijke elegantie te bewonderen zonder verder aan het bal deel te nemen, toen een van de danseressen mij namens de burgemeester uitnodigde. Ik kon niet weigeren zonder de reputatie van mijn land te schaden; dus nam ik de uitnodiging aan en volgde ik, eerst met enige schroom, maar daarna met oprecht plezier, mijn eerste les in Spaanse dans.” (Schrader, 1877)

“Een rode sjaal, sierlijk op het voorhoofd geknoopt en achteraan wapperend, een blauw of zwart korset dat met een dik rood koord is vastgeknoopt en gedeeltelijk bedekt is met een witte hoofddoek, een zwarte rok of een rok met grote bloemmotieven, afgezet met blauw of felrood: dat is de klederdracht van de vrouwen.” (Schrader, 1877)
Hij verbaast zich ook over de leergierigheid van mensen die hij tegenkomt: “Overigens ben ik in Spanje vaak, veel vaker dan in Frankrijk, boeren of herders tegengekomen die, wanneer ze zagen dat ik mijn kaart uitvouwde, mij vroegen of ze er mochten naar kijken, naast me gingen zitten en een echte les aardrijkskunde kregen, met een ijver en een levendig begrip die aantoonden welke schatten er onontgonnen in hun brein sluimeren.” (Schrader, 1877)
Hoewel zijn werk wetenschappelijk van aard was, getuigen zijn geschriften van een grote liefde en bewondering voor deze bergen. Hij had ook aandacht voor de aanslagen op de natuur die al plaatsvonden. In de buurt van Torla beschrijft hij in 1870 de trieste aanblik van het kappen van de bossen: “Deze grote, eeuwenoude beuken, nu met de bijl ontdaan van hun takken, zo hoog als de houthakkers konden reiken; andere zijn op een of twee voet boven de grond afgehakt (…) getuigen van de begonnen, zo niet al voltooide verwoesting. Daarboven, in de bossen aan de voet van de Cotatuero, klinken in de verte bijlslagen: de slachting gaat door, en over tien of twintig jaar, als er geen maatregelen worden genomen, zullen in deze nu nog groene kloof overal de kale of uitgesleten rotsen blootliggen” (Schrader, 1936).
“Wie weet of er niet een dag zal komen waarop de mens weer respect voor de natuur zal krijgen? Het zou volstaan om haar twee of drie generaties lang met rust te laten, zodat ze haar wonden zelf kan helen en haar volledige schoonheid kan terugkrijgen. Vanuit vele hoeken wordt hierover nagedacht, sinds de achteruitgang van de hele wereld duidelijk en bedreigend is geworden. Moge elke inspanning in deze richting, waar die ook vandaan komt, welkom zijn; het succes zal dan niet langer twijfelachtig zijn” (Schrader, 1936).
Een volledig overzicht van zijn werk is te lezen in Schrader, 1936.
Comte de Saint-Saud (1853-1951)
Saint-Saud doorkruiste de Pyreneeën en de Sierra de Guara en publiceerde meerdere reisverslagen. Hij deed bij zijn tochten beroep op plaatselijke gidsen; het vervoer gebeurde vaak met muilezels.

Hij had ook aandacht voor de erbarmelijke levensomstandigheden van de plaatselijke bevolking (zie geschiedenis), maar merkte anderzijds op dat “Hoewel de voordelen van de beschaving nog niet zijn doorgedrongen tot deze afgelegen streken, die verstoken zijn van wegen en verbindingen, zijn de nadelen van de beschaving daar ook nog niet voelbaar, en de Aragonees uit de Pyreneeën is in wezen wat zijn voorouders eeuwen geleden waren: oprecht, moedig, vriendelijk maar niet zonder trots, bedachtzaam en koppig.” (Saint-Saud, 1878)
Als hij na een van zijn eerste tochten van Gavarnie naar Huesca terugkeert naar Frankrijk, gebeurt dat in een koets: “Die 18 uur durende koetsrit heeft wel iets speciaals: de tien muilezels, twee aan twee gespannen en aangespoord door geschreeuw dat nog onophoudelijker is dan de zweepslagen, voeren je met een duizelingwekkende snelheid mee.” (Saint-Saud, 1878)
In 1892 publiceerde hij een kaart van de Pyreneeën, in zes bladen op schaal 1/200.000.

Uittreksel van de kaart, omgeving van Santa Maria de Buíl
De omstandigheden om rond te trekken en te overnachten waren niet altijd optimaal. Over een verblijf in Santa Maria de Buíl schrijft hij: “de Spaanse ingenieur D. Lucas Mallada had zo’n acht jaar geleden in het bed geslapen dat ik nu gebruik. Sindsdien was er niemand meer aan vijf soorten insecten ten prooi gevallen, namelijk pulgas, chinchas, sansanitas, milpies en piojos (vlooien, bedwantsen, kevertjes, duizendpoten en luizen) die ik in het Frans niet durf te noemen. Dus compenseerden ze hun lange vasten maar op mijn magere persoon” (Saint-Saud, 1885). Pikant (!) detail: het huis is nu omgebouwd tot appartementen waar je in alle comfort kan verblijven.
Ook Belloc (1902) verkoos een overnachting in de open lucht boven een bed: “Onder het voorwendsel dat ik een korte wandeling wilde maken, ging ik in een hoek van de binnenplaats op een stenen plaat zitten, waar ik, ondanks de onvermijdelijke serenade van de lokale artiesten, die een deel van de nacht duurde, vrij comfortabel onder de sterrenhemel sliep. De volgende ochtend vroeg ik M. F., die dapper in de kamer was gebleven, of hij de moeite had genomen om in zijn flanellen vest een of ander merkwaardig natuurhistorisch exemplaar te verzamelen. Deze vraag leek hem te verbazen, en hij verzekerde me dat hij geen last had gehad. Eerlijk gezegd verwonderde zijn bewering me maar half; aangezien mijn vriend namelijk behaard was als een beer, moesten die afschuwelijke beesten grote moeite hebben gehad om tot aan zijn huid door te dringen.”
Meillon (1899) formuleert het op zijn beurt zo: “Niets is zeker aangenamer wanneer men zich, uitgeput na tien tot twaalf uur wandelen, neerlegt en een nieuw continent ontdekt, niet zoals Columbus, maar een bed dat reeds bezet wordt door een prachtig leger van kleine beestjes waarvan de soort in Aragon nog niet is uitgestorven.” (Meillon, 1899)
Hetzelfde deed zich trouwens voor aan de Franse kant: “Toen ik mijn arme lichaam bekeek, zag ik dat het was veranderd in de toestand van iemand die de pokken heeft gehad; er was geen plek op mijn lichaam die niet was getekend door de beten van dit ongedierte.” (De Froidour, einde 17de eeuw)
Lucien Briet (1860-1921)
Wil het toeval dat er tussen de namen Aragon en Argonne al niet veel verschil is, dan is het toeval nog veel groter als je ziet dat uitgerekend een Champenois, bovendien nog eens geboren in de rue de Flandre (Parijs), begin de 20ste eeuw op ontdekking trok in de Spaanse Pyreneeën. Komt daar nog bij dat hij na desertie uit het Franse leger naar België vluchtte, waar hij 4 jaar verbleef. Briet was een geboren ontdekkingsreiziger en verkende alles, van bergtoppen, kloven en grotten tot steden en valleien. Hij verdiepte zich ook in de geschiedenis, de gebruiken en de architectuur van de lokale bevolking.
Met de glazen fotografische platen en ander materiaal op een muilezel geladen, trok hij meerdere jaren door Aragón. Hij maakte er prachtige foto’s en noteerde nauwgezet alles wat hij zag.

Hij was niet alleen geïnteresseerd in geologie, maar evenzeer in natuur en natuurbeleving: “Van alle grootse natuurscènes ken ik niets wat mooier is dan een smalle, afwisselende kloof waar een beek stroomt waaruit je kunt drinken. Wat een geluk voor mij om er rond te dwalen, me erin te verliezen, volgens mijn fantasie, een steentje op te rapen, een bloem te plukken, een wilde bes te proeven, geïnteresseerd in elk van de bijzonderheden die het herbergt, en in staat om al zijn charme en poëzie te begrijpen. Ik geef de voorkeur aan de zachte symfonie van ritselende bladeren boven het gefluit van de wind in de bergkammen, en er dringt iets mysterieus tot me door en raakt me, wanneer ik, zittend op een oude boomstronk, midden op een open plek kampeer, voor een knetterend vuur, te midden van fantastische rotswanden, en met een stukje fonkelende hemel boven dit alles.” (in Dalzin, 2007)

Briet ligt mede aan de basis van het Nationaal Natuurpark van Ordesa, opgericht in 1918. Hij schatte de nefaste invloed van de mens op het ecosysteem in: “Laten we niet langer wachten: het uur heeft geslagen, dringend en plechtig. We moeten de Ordesa-vallei beschermen, haar voorgoed onttrekken aan de houthakkers, de jagers en de forelvissers. (…) Haar beuken en dennen roepen om hulp, en haar steenbokken, die worden opgejaagd en uitgeroeid, verdienen het om een natuurlijke dood te sterven. (…) zou de bewonderenswaardige kloof voor het hele schiereiland een prachtig nationaal park worden, (…) waar de edelweiss in vrede zou bloeien, waar forellen en steenbokken zich zonder vrees zouden voortplanten, en waar eindelijk, te midden van het eerbiedwaardige woud van de Pyreneeën dat als een voorouder wordt gerespecteerd, iedereen zich weer zou kunnen onderdompelen in de volle natuur.” (In Galicia, 2004)
Hij trok ook door de Sierra de Guara: “Er loopt geen enkel pad doorheen, behalve het muilezelpad (…). Daar staat tegenover dat het, ondanks zijn onherbergzame uiterlijk, een veilig en betrouwbaar gebied blijft; men kan er zonder vrees doorheen trekken: als er wolven zijn, zijn het er maar weinig, en ik heb begrepen dat de beren er al lang geleden zijn uitgeroeid. Wat de wilde zwijnen betreft: die zijn talrijk aanwezig in het struikgewas.” (in Dalzin, 2007) en “de streek die men vanaf Arcusa ontdekte, was als uitgedroogd door de wind van de woestijn” (Briet 1906).
Briet leverde belangrijk wetenschappelijk werk, maar het menselijk contact was voor hem even belangrijk. Het leverde hem in Aragon veel respect en vriendschappen op bij alle lagen van de bevolking. Hij verbleef vaak in de betere huizen: “Mijn Spaanse vrienden hebben me altijd met een zorgvuldigheid waarvoor ik ze niet genoeg kan bedanken naar uitstekende accommodaties geleid en hebben, voor zover mogelijk, de insecten en de talloze kleine ongemakken die je in die streken kunt verwachten, voor me weten te vermijden.” (Briet, 1909). Veel van die mensen worden vrienden en het leverde hem vaak aanbevelingen op die van pas kwamen bij zijn excursies; (over Haut-Aragon) “Het is een land dat afgesloten is voor gewone toeristen. Je moet Spaans spreken en er bekend zijn, alsof je er thuis bent, om je er vrij en met succes te kunnen bewegen. Ik had een aanbevelingsbrief …” (Briet, 1910). Evengoed komt Briet echter overeen met, en heeft hij respect voor, de ‘gewone’ mensen van het platteland. Briet verbleef ook vaak bij priesters, die vaak – in tegenstelling tot hun oversten – ook erg eenvoudig leefden. Toch werden veel van deze priesters jaren later in de burgeroorlog ongenadig vermoord.
Briet beschrijft wel het harde leven van de arme boeren in Aragon, maar in tegenstelling tot Saint-Saud hoedt hij er zich voor daar uitspraken over te doen: “Voor mij is er geen sprake van politiek. (…) Er zijn in Spanje geen partijen, er zijn alleen Spanjaarden (Briet, 1910). Dalzin (2007) merkt daarover op: “Het lijkt misschien vreemd dat juist hij, die zo intuïtief was, niet heeft aangevoeld hoeveel sociaal geweld er in die situatie schuilging, en dat in 1936 (de burgeroorlog) aan alle kanten zou losbarsten.”
Na 1911 stoppen de bezoeken aan Spanje plots. Mogelijk was dit het gevolg van een dispuut dat hij had met Schrader.
Nogal wat Fransen hadden geen goed woord over voor de Spaanse keuken: “De Aragonezen zijn ronduit vreselijke koks, maar de producten van hun culinaire kunde zijn nog veel erger. Maar, het moet gezegd dat aan de andere kant de liefhebbers van knoflook, uien, pepers, kruiden, olie en allerlei andere scherp smakende gerechten helemaal aan hun trekken komen.” (Meillon, 1899) Dat Meillon slechtgezind was, had misschien te maken met de omstandigheden: “De herbergier leidt ons binnen in de enige ruimte, waar zowat alles door elkaar leeft. Geiten, varkens, honden, kippen en mensen wonen tussen deze vier zwartgeblakerde muren, die eindigen in een gewelf, waarvan een opening dienstdoet als schoorsteen. Dikke boomstammen branden midden in de kamer. De carabineros die rond dit vuur zaten, staan op wanneer wij binnenkomen en ontvangen ons niet alleen met open armen, maar ook met volle glazen.” Maar bovendien blijkt de aangeboden ‘beste’ wijn naar Franse normen niet te drinken: “Mijn God, wat een wijn!! Veel meer dan een drank is het niet; dit heeft alleen de naam wijn. Tot slot, het beste er van makend, ondergaan we deze moordende slokken en proosten we op de gezondheid van deze soldaten.” Maar het kon nog erger: “Eindelijk is het etenstijd, maar wat een diner! Op de klanken van de gitaar die ons door de strot geramd worden, en bij de harsachtige gloed van een stuk dennenhout dat op een klein plankje brandt. Dit soort verlichting wordt vaak gebruikt in deze kamer, waarin zelfs bij helder daglicht het enige raam, smal als een schietgat, slechts een lichtstraal binnenlaat die ruim onvoldoende is.”
Briet had daarentegen geen problemen met de Spaanse keuken, of was beleefder (?): “De met olijfolie bereide gerechten, waarover ik met afschuw had gehoord, zijn uiteindelijk helemaal niet zo slecht.” (Briet, 1904_a). Floristische opmerking: bij de beschrijving van de gerechten duikt ook vaak saffraan op. Een specerij gewonnen uit krokussen.
Tijdschriften
Aan het einde van de 19de eeuw publiceerden meerdere tijdschriften – soms heroïsche – verslagen van tochten in de Pyreneeën. Te vermelden zijn onder andere het Bulletin Pyrénéen, l’Annuaire du club alpin français, het Bulletin de la Société Ramon en La Montagne.
Sommige van die verhalen zijn sec en geven gewoon verslag. Andere geven er een meer persoonlijke toets aan. Zo etaleert Meillon (1898-1899) in een aantal beschrijvingen zijn gevoel voor humor: “De maaltijd moet beginnen, maar helaas! Onze arme voorraden hebben nog meer te lijden gehad onder deze tropische hitte dan wijzelf. Ze zijn volledig uitgedroogd, de ham zou nog bij de schoenmaker van pas kunnen komen, de kip is zo zwart als een merel, en uit de eieren verwachten we bijna dat er kuikentjes tevoorschijn komen. Alleen de kaas heeft zijn geur niet veranderd.”
Ook Belloc heeft gevoel voor humor: “Een oude, tandeloze vrouw, met een uitgemergeld gezicht en een door de zon gebruinde huid, gerimpeld als een gedroogde pruim, ontving ons mopperend. Dit merkwaardige exemplaar van de mooiste helft van het menselijk geslacht, een waar toonbeeld van een heks die terugkeerde van de sabbat (…), zag er erg opvliegend uit. Ze gaf echter, hoe dan ook, toe aan onze wensen. Maar toen het op betalen aankwam, nam de scène een uiterst komische wending. Aangezien de rekening opliep tot het aanzienlijke bedrag van drie frank en vijftien centiem, nam ze zonder al te veel morren de drie zilveren munten aan die ik haar in de hand drukte. Wat het wisselgeld betreft, was dat een heel ander verhaal. De afschuwelijke feeks werd plotseling woedend en verklaarde dat ze voor geen goud die ‘smerige Franse centen’ wilde hebben, en eiste dat we, als we geen Spaans wisselgeld hadden, haar de goederen moesten teruggeven. Een muntstuk van vijftig centimes, gegeven in ruil voor de drie centimes die ze eiste, kon haar woede nauwelijks bedaren. (…) Ze bleef ons overspoelen met scheldwoorden en noemde ons woedend gabachos.”
(Gabacho is de minachtende benaming waarmee Spanjaarden graag naar de Fransen verwijzen. In figuurlijke zin betekent gabacho ‘smerige man, van slordige aard’).
Na een tocht in versmachtende hitte (50 °C!) komen Belloc en zijn gezelschap aan in het gehucht Galisué. Ongetwijfeld door de hitte bevangen, zien ze daar een jonge vrouw in een deuropening verschijnen: “Ze droeg een luchtige blauwe katoenen jurk, versierd met lichte tinten waarvan de berglucht de helderheid had getemperd. Deze eenvoudige jurk, die de vormen van haar soepele en goed geproportioneerde lichaam prachtig benadrukte, stond haar prachtig. Brede zwarte banden op de slaap (…) omlijstten een licht gebruind gezicht, waaraan grote, buitengewoon expressieve ogen een onbeschrijfelijke charme gaven.” (Belloc, 1902_b)
“Het hooggebergte dwingt tot stilte en bezinning. De bergen herbergen het hele spectrum aan gevoelens die de mens kan ervaren. Bij het aanschouwen ervan gaat een betoverende charme uit en de oneindige rust die heerst in deze prachtige eenzaamheid doet de kleingeestige realiteit van het leven al snel vergeten. Ver weg van de drukte en de sociale hypocrisie wordt de mens beter, veranderen zijn ideeën, worden zijn gevoelens zuiverder, verheft en groeit zijn denken. Maar om ten volle te kunnen genieten van de pracht van de bergen moet men innerlijke rust hebben; dat is ongetwijfeld de reden waarom de eenzaamheid in de hoge berggebieden een krachtige aantrekkingskracht en een onvergelijkbare charme heeft.” (Belloc, 1902_c)
Het is overigens opmerkelijk hoe weinig de vogels in al deze verslagen aan bod komen. Hier en daar is er een schaarse verwijzing naar gieren of een arend, maar daar blijft het ook bij. In sommige verslagen vindt men wel enkele plantennamen.
Chapman & Buck (1893) beschrijven de fauna (vogels, zoogdieren, vissen) in Spanje, maar de Pyreneeën komen daarin nauwelijks aan bod; de focus ligt op Andalusië. Naast het verzamelen van eieren werd alles wat bewoog nog naar hartenlust geschoten: gieren, keizersarend, havikarend, grote trappen, …

Voor de Franse kant van de Pyreneeën zijn er twee publicaties. Er is de avifauna van Lacroix (1873-1875) en het boek van Philippe (1873). Deze laatste heeft het ook over de culinaire kenmerken van vogels, met daarbij toch opmerkelijke keuzes zoals het vlees van de vale gier: “Je eet het vlees gestoofd, nadat je het vijf tot zes dagen hebt laten marineren, zodat het zijn muskusachtige geur verliest.” Het vlees van de lammergier is afschuwelijk, dat van de slechtvalk excellent en alle uilen zijn “in de winter een uitstekende maaltijd, maar in de zomer worden ze walgelijk”. Hij noteert ook bij meerdere soorten of ze al dan niet gemakkelijk af te richten zijn.
De Froidour (1899), eind 17e eeuw beroepshalve op verkenning in de Franse Pyreneeën, beschrijft de jacht op groepen trekkende houtduiven. Gebruikmakend van een in hout nagemaakte valk werden de duiven met netten gevangen.
Eieren werden verhandeld (De Bouillé, 1892). Een ei van een vale gier kostte 4 franc, dat van een lammergier 35 franc. Beide eieren zijn gelijk van vorm, maar die van een lammergier zijn geelachtig. Herders kleurden de eieren van vale gieren met gele aarde om ze duurder te kunnen verkopen. Wellicht gebeurde dat met dezelfde okerkleurige kleurstof waarmee de Spaanse herders hun schapen merkten (Ramond, 1801), en die lammergieren gebruiken om de mooie oranje borstkleur te verkrijgen.
Max Daumas (1921-2020)
Max Daumas schreef een uitgebreide thesis over ‘La vie rurale dans le Haut Aragon oriental’. Omdat hij toen zelf ook al lesgaf, en dan nog in Toulouse, nam het werk bijna 15 jaar in beslag. Zijn thesis werd later in boekvorm uitgegeven (Daumas, 1976). Hij deed zijn opzoekingen vooral tijdens de jaren 60 van de vorige eeuw, net de periode dat er in de streek grote veranderingen begonnen. Zo was de bevolking in 1970 maar de helft meer in vergelijking met 1900. Het relaas van hoe hij te werk ging, en de werkomstandigheden is te lezen in Daumas (2007).
Het werk gebeurde vaak in moeilijke omstandigheden. Een deel van de dorpen was toen nog enkel bereikbaar via muilezelpaden, te voet, want zelf had hij geen muilezel. En hij hield eraan om elke bewoonde plaats te bezoeken, uit schrik om iets te missen. “De meeste van deze dorpen of gehuchten in de uitlopers van de Pyreneeën kon ik dus alleen te voet bereiken, via muilezelpaden die waren aangelegd te midden van uitgestrekte vlaktes bedekt met schraal struikgewas (Matorral) – de enige begroeiing die de tanden van geiten en schapen hadden laten staan – en waar hier en daar slechts een schrale boom stond die nauwelijks schaduw gaf.”
Ook het passeren van de grens was toen geen sinecure onder het dictatoriale regime van Franco, en vereiste een hele administratie. Maar anderzijds verwonderde Daumas zich erover hoe gemakkelijk de mensen met wie hij sprak kritiek uitten op, of de spot dreven met, Franco. Communicatiemiddelen waren er nauwelijks, en als er al een telefoon te vinden was, was bellen naar Frankrijk meestal niet mogelijk. Door eenzaamheid overvallen, dacht hij daarom vaak aan opgeven.
Het resultaat is uiteindelijk een lijvig (774 p. !) tijdsdocument geworden, waarin, geheel in de traditie van de Franse geografische regionale studies, zowat alles aan bod komt: landbouw, demografie, bosbouw …
Waar zitten de vrouwen?
“Bergbeklimmen is, strikt genomen, een mannensport. We tellen en bewonderen de vrouwen die in staat zijn de ontberingen en risico’s ervan het hoofd te bieden. Maar alles kent gradaties. De berg is ruw voor wie haar wil bedwingen, maar verwelkomt iedereen die haar vriendelijk benadert. Ze maakt geen onderscheid; ze reageert op de een net zo goed als op de ander. Waarom zouden vrouwen, die van nature nieuwsgierig zijn maar door hun positie zelf van de natuur worden afgeschermd, zich er dan niet toe laten verleiden?” (Spont, 1914)
Als je het hoofdstuk over de pioniers leest, lijkt het ontdekken en verkennen van de Pyreneeën louter een mannenzaak geweest te zijn. In de eerder genoemde tijdschriften is nauwelijks iets terug te vinden, of negeerde men ze?
Zo is de Britse Anne Lister (1791-1840) de eerste die op 7 augustus 1838 de Vignemale beklom langs de Franse zijde. Ze klopte daarbij nipt de Prince of Moscowa (Maréchal Ney), die trouwens voor zijn beklimming ook een van de gidsen van Lister gebruikte. Bij de beklimming vertelde deze gids echter aan de prins dat Lister de top niet had bereikt en dat hij dus de eer kon opstrijken. Er kwam zowaar een advocaat en een rectificatie in een krant aan te pas om de zaak te regelen. Haar gids werd verplicht een verklaring te ondertekenen. De prestatie kreeg pas jaren later (1915), en dan nog met een verkeerde datum, aandacht in het tijdschrift Club alpin français: “Eerste beklimming door twee Engelse vrouwen, Lady Lister en een van haar vriendinnen, die op 6 april (!) 1838 in mannenkleding vertrokken en de top bereikten nadat ze “een buitengewone moed voor vrouwen” hadden getoond.” Het Bulletin de la Société Ramond spreekt wel over Lister in … 1990 (Maury, 1990).
Dezelfde Lister beklom in 1830 reeds de Mont Perdu. “Ik was vergeten dat ik een slapeloze nacht had doorgebracht in de ellendige hut van een Spaanse herder, dat we vier uur lang een zware klim hadden afgelegd en dat ik, sinds we om kwart over drie ’s ochtends bij kaarslicht waren vertrokken, nog geen ontbijt had gehad. Het was de volmaakte eenzaamheid, de diepe stilte die me een gevoel gaf dat ik nog nooit eerder had gehad. Er was geen spoor van enig levend wezen, geen geluid dat mijn oren bereikte, want zelfs het water lag te ver onder ons om te kunnen worden gehoord” (Oliveira, 2023). In haar dagboeken noteerde Lister tot op de minuut de tochten en beschreef ze alles tot in het kleinste detail. Een deel van het dagboek is in een soort geheimschrift.
Op de bergtop bevond zich een fles met daarin berichten van eerdere bergbeklimmers. Leclercq (1876) beschuldigt haar ervan dat “mevrouw de trieste moed had om deze heilige schat in de wind te verstrooien, en dat louter uit een kinderachtige drang naar eigenwaarde, om het recht te hebben om in een salon (…) te zeggen: Op de laatste top van de Mont-Perdu zult u slechts de naam van één vrouw aantreffen!” Het verhaal wordt in nagenoeg dezelfde bewoordingen herhaald door Laporte (1878), maar in de tijdschriften wordt er niet over gesproken. Waarheid of legende?
Door haar bijzondere levensstijl als onafhankelijke, lesbische vrouw was Lister in haar tijd een opgemerkt figuur. Haar leven werd in 2019 verfilmd in de serie ‘Gentleman Jack’.
Een lijst met vrouwelijke bergbeklimmers is te vinden in Beraldi, (deel 7)
In The Pyrenees with excursions into Spain beschrijft Lady Chatterton (1843) de Pyreneeën. De tochten waren wel wat minder sportief, want ze gebeurden in een draagstoel.

