Requiem voor de steenbok

Requiem voor de steenbok

De iconische steenbok komt verschillende keren voor bij de prehistorische schilderijen (Averbouh et al., 2021).

Grotte de Niaux (Niaux, Ariège, France). Deux bouquetins emblématiques, Salon Noir, no 82 et n° 95, Photo E. Demoulin/SESTA, https://books.openedition.org/pup/55150

 

Steenbok (in Lydekker, 1898), tekening (door Wolf) in het bezit van de Lady Brooke (zie verder). Volgens het bijschrift werd het mannetje op de voorgrond geschoten in de ‘Val d’Arras’ (Ordesa-vallei)

 

Volgens Picot de Lapeyrouse (1798-1799) nam de soort al aan het einde van de 18de eeuw sterk af in de Franse Pyreneeën: “cette espèce se perd aux Pyrénées”.
Naar het einde van de 19de eeuw werd het voorbestaan van de soort bedreigd door de jacht en mogelijk ook door ziektes overgedragen door het vee (Forcina, 2012). Ook gemzen werden (worden) soms getroffen door ziektes overgedragen door schapen (Goudron, 1908).

In Lydekker (1898) beschrijft Brooke de soort: “De Pyrenese steenbok is een veel groter dier dan die uit de Sierras in Zuid-Spanje. In de Pyreneeën zijn ze zeldzaam (dat was blijkbaar geen beletsel om ze te bejagen, zie verder) en leven ze op de meest onherbergzame rotswanden waar ik ooit een dier heb gezien; ze trekken zich terug in veel onherbergzamer terrein dan de gemzen, en het zijn zuiver nachtdieren, die alleen in het donker of in de vroege ochtend worden gezien, tenzij ze worden gestoord.”

Vooral Engelse jagers kwamen in de Pyreneeën de soort schieten voor de trofee: “Ik feliciteer hem met de jacht: drie of vier steenbokken en achttien gemzen werden door hen in het vizier genomen en neergeschoten, terwijl ik … bergtoppen in het vizier nam en ze op … papier vastlegde.” (Saint-Saud, 1883).

Een voorbeeld van zo’n jachtverhaal lezen we in de Gazette de Cauterets van 19 juli 1883. Het gaat over de Engelse jager Victor Brooke; hetzelfde verhaal duikt overigens in meerdere publicaties op.
“Toen ik in 1878 naar Pau kwam, ging men ervan uit dat de steenbokken bijna uit de Pyreneeën waren verdwenen en dat ze alleen nog in het Malibierne-dal, achter de Maladetta, te vinden waren. Ik vernam echter dat er nog enkele over waren in de vallei van Arras (de Ordesa-vallei van de Spanjaarden). Toen ik er in mei 1878 naartoe ging, schoot ik er een mooi vrouwtje. Het gevolg was dat ik besloot de volgende winter naar Pau terug te keren om er opnieuw kennis met hen te maken.
In januari 1879 slaagde ik erin om, vergezeld door mijn broer, kapitein Brooke, na twee mislukte pogingen (…) het dal van Arras binnen te trekken, en ik bracht daar een maand door met de jacht op steenbokken. Ik had vooral een prachtig oud mannetje op het oog, dat al jaren bij de Spanjaarden bekend was: aangezien hij permanent mank liep, was het onmogelijk om hem met een ander te verwarren. Deze oude bergheld bewoonde een reeks enorme afgronden aan de noordkant van de vallei, waar hij zijn voedsel vond op de bijna ontoegankelijke hellingen die deze afgronden in terrassen van meerdere kilometers lengte doorsnijden, en die begroeid zijn met onvolgroeide dennen en bosjes buxus, wat het erg moeilijk maakt om er een steenbok te ontdekken, zelfs wanneer hij graast, wat alleen heel vroeg in de ochtend of laat in de avond gebeurt.”

Daarna volgt het verhaal hoe het dier een hele dag opgejaagd wordt.

“De arme oude kerel had zich overschat: de richel waarop hij zat was namelijk zo smal dat hij zich er niet op kon omdraaien en er ook niet vanaf kon komen … Mijn kogel ging door zijn nek en hij viel als een dood blad in de afgrond die aan zijn voeten glinsterde. We hadden grote moeite om hem in de schemering en in een verblindende sneeuwstorm terug te vinden, maar na enige tijd werd hij ontdekt, gevangen in een groot bos buxus, en ongeschonden ondanks zijn verschrikkelijke val. We kwamen pas om halfelf terug in het kamp. Op de terugweg vielen we vaak en gleden we achteruit in de sneeuw, met de eerbiedwaardige steenbok, die aan een stok hing en die we allemaal moesten helpen dragen.
Zoals men uit het voorgaande verhaal kan afleiden, is de belangrijkste vereiste voor een steenbokjacht een onwankelbaar geduld: men kan wel twee weken wachten zonder een mooi mannetje te zien, en de vrouwtjes zijn de aandacht van een echte jager (hij noemt zichzelf ‘sportsman’) niet waard.”

uit Buxton, 1892

 

Ook Buxton (1892) vertelt in zijn boek met jachtverhalen van over heel de wereld fier over dergelijke ‘heldhaftige’ jachtpartijen.

uit Buxton, 1892

 

Maar niet iedereen was echter even opgezet met de praktijken van deze heren die zichzelf ‘sportsman’ noemden: “Sinds mijn laatste reis naar de streek rond Broto en Fanlo waren de prijzen om er te logeren verdrievoudigd. De brave mensen van dit land, die vroeger de meest meegaande ter wereld waren, leken nu helemaal van slag. Later kwam ik te weten wat de hoofdoorzaak was van hun buitensporige eisen. (…). Het schijnt dat een steenrijke Engelsman, die naar het land was gekomen om op steenbokken te jagen, nadat hij zich in India had overgegeven aan een ware slachting van olifanten, tijgers, luipaarden, enz., de prijzen had verpest.”

Ook Saint-Saud (1882) wijst er op dat het zeer kapitaalkrachtige mensen zijn die komen jagen in de Ordesa vallei: “Maar ik zie daar muilezels beladen met tenten, kookgerei, proviand, vuurwapens en oorlogsmunitie; je zou bijna denken dat er een expeditie vertrekt, ware het niet dat de verbijsterde blik van een Engelse kok, die noch Spaans noch Frans verstaat, me doet vermoeden dat de genoemde voorraden onder begeleiding van een douanebeambte naar Torla zullen worden gebracht, onder het waakzame oog van de douane-administrateur zullen passeren, om vervolgens weer de Ordesa-vallei in te trekken, waar de heer Buxton, van de Alpine Club, en andere heren uit zijn vriendenkring, zich daar de dag ervoor al hadden gevestigd. Ze zijn van plan talrijke wilde dieren te schieten in dit jachtparadijs, waar gratis toegang echter blijkbaar verboden is. Heeft de vallei van Broto deze heren immers niet het werkelijk exorbitante bedrag van 300 frank als jachtrecht in rekening gebracht? Men bedenkt niet genoeg dat wijn, eieren, kippen en de rijkelijk betaalde dagen van de drijvers de streek geenszins verarmen. Maar dat zijn nu eenmaal de cosas de España

“De streek rond Ordesa, en met name die van Cotatuero, was op dat moment nog het laatste toevluchtsoord van een prachtige steenboksoort, de Capra pyrenaica. De Engelsman wist heel goed dat deze prachtige kloven (…) tot dan toe het ongeschonden toevluchtsoord waren gebleven van de laatste vertegenwoordigers van de soort. Een oud mannetje dat in deze streek leefde, wekte vooral zijn begeerte op. De prachtig gehoornde kop van deze oude eenling ontbrak nog in de jachtcollectie van de Britse sportsman: hij moest hem koste wat kost hebben. Een voor een vielen alle steenbokken ten prooi aan het dodelijke lood. Slechts één, het oude mannetje, stond nog overeind. Op een dag, toen hij over een smalle richel dwaalde en wellicht aan de dood dacht, werd de arme eenling op verraderlijke wijze neergeschoten. Twintig jaar zijn verstreken sinds de gedenkwaardige heldendaden van deze ‘uitgelezen heer’, en sindsdien zijn er geen steenbokken meer gezien in de Pyreneeën: de Capra pyrenaica is voorgoed uitgeroeid.” (Belloc, 1902).

Ook Mausier (1901), die een vurig pleidooi houdt voor de natuurbescherming in de (Franse) Pyreneeën, laat zich in dezelfde zin uit: “Trouwens, waar de bergbewoners als excuus nog kunnen aanbrengen dat ze jagen om te leven, gaat dat niet op voor de amateurs, die enkel van de slachting genieten. (…) Nog maar een paar jaar geleden waren er nog steenbokken op de rotspartijen van Vénasque en Ordesa. Rond 1890 werden de laatste vertegenwoordigers van het ras door Engelse kogels geveld.”

Het moet gezegd dat ook musea in Europa vragende partij waren om een Spaanse steenbok in hun collectie te hebben. Al in 1835 verkreeg Mainz zijn eerste steenbok. Net als de jagers waren de musea vooral geïnteresseerd in de mannetjes. Overigens was de jacht op de steenbok niet zonder gevaar: “De fascinatie van deze jacht leidt (…) tot voortdurende en zelfs dodelijke ongelukken, aangezien dit schuwe dier op bijna ontoegankelijke plaatsen op de loer ligt en met de grootste vaardigheid moet worden benaderd (Ford, 1861), karma …

Op 5 september 1911 fotografeerde Lucien Briet (zie pioniers) het Casa de Oliván in de Ordesa-vallei. Daarop is ook een opgezette steenbok, bucardo, te zien.

Hetzelfde dier duikt op in meerdere foto’s. De erfgenamen van het huis schonken de horens; dat was alles wat er van overbleef, aan het museum van Torla (Searle, 2022)

De opgezette steenbok van het Casa de Oliván, gefotografeerd door Ricardo Compaire, tussen 1913 en 1921

 

Volgens een berggids waren er in Ordesa in 1907 nog steenbokken (in Gourdon, 1908): “Men doodt er elk jaar één of twee en ik heb er zelf meerdere keren gezien.” Spanje gaf blijkbaar toen geen toestemming voor de jacht, maar “met een beetje geld slaagt men er nog altijd in om te jagen.” Volgens Cabrera (1914) waren er in 1907 enkel in de buurt van de Monte Perdido nog maar 7 of 8 dieren meer over.

In 1913 werd de steenbok in de Pyreneeën bij wet beschermd (Forcina et al., 2021)

Aan de Franse kant verdween de steenbok wel begin 20ste eeuw, maar aan de Spaanse kant stierf de laatste steenbok in 2000 (Ordesa). Het dier, een oud vrouwtje, werd op 6 januari gevonden onder een omgevallen boom. Ook dit dier is nu te bekijken in het museum in Torla. Acht maanden voor haar dood werd het dier gevangen, voorzien van een zender en werden cellen diepgevroren, in de hoop daarmee de soort te kunnen redden. Een poging om te klonen mislukte; het jong stierf kort na de geboorte. (Searle, 2020).

Daarmee kwam er een definitief einde aan de Pyreneese steenbok, Capra pyrenaica pyrenaica.

Aan de Franse kant werden sinds 2014 253 steenbokken uitgezet:

(https://www.bouquetin-pyrenees.fr/projet-reintroduction-bouquetin).  Aan de Spaanse kant zijn er ondertussen ook al waarnemingen (https://earea.es/la-cabra-montesa-ya-asoma-por-el-parque-nacional-de-ordesa/)

In de Sierra de Guara ontsnapten een aantal dieren uit een jachtdomein (An, 2014).
Vanuit het zuiden breiden steenbokken ook uit richting het noorden (mond. med. Jan Verhoeye).

Geoffrey-Saint-Hilaire & Cuvier, 1842
Gourdon, 1908