Verlaten dorpen
Na de exodus uit de landbouw zijn er nu bijna 200 verlaten dorpen. In 1970 was de bevolking ten opzichte van 1900 gehalveerd. Vaak liggen deze dorpen moeilijk bereikbaar, maar bijna steevast word je bij het bezoeken ervan beloond door een schitterend uitzicht!
Toen Daumas (1976) eind de jaren 50 en jaren 60 van de vorige eeuw de Sobrarbe en Ribagorza verkende, was nog een derde van de dorpen enkel te bereiken via muilezelpaden en men leefde er nagenoeg autarkisch. “Ik heb dus veel tijd doorgebracht, en heb soms flink moeten zwoegen onder de brandende zon van Aragon, op steenachtige, stoffige paden, om te voet, in een uur of vaak nog langer, alle nederzettingen te bereiken die niet via een berijdbare weg met de buitenwereld verbonden waren.”
Men leefde er van akkerbouw, meestal op kleine terrassen, en veeteelt (schapen). Met de bergdorpen werd er geruild: vlees in ruil voor olie en wijn. Elk dorp had zijn eigen bron, molen, broodoven, oliepers, … Daumas beschrijft hoe het dorsen van het graan er nog op de aloude manier gebeurde, onder andere met muildieren die een houten plank trokken waarin silexstenen zaten (trillo). Om daarna het kaf van het koren te scheiden, werd zoals in de prehistorie de wind gebruikt. Zelden was er een wanmolen; die was voor de grotere boeren.

De huizen werden meestal zo gebouwd dat het vee onderaan de woning verbleef, zodat men daarboven kon profiteren van de warmte van de dieren. Het is er vaak een doolhof van stallen, kamers, … Ze zijn opgetrokken in dikke steen en met een dakbedekking bestaande uit leisteendallen (losas). Het onderdak is dan weer gemaakt met buxustakken. Binnenin zijn ze overwegend blauw geschilderd (tegen de kwade geesten). Aan de buitenkant vallen ook de mooie balkonnetjes op, wat zou wijzen op Moorse invloeden. Volgens Briet (1910) was er wel een opvallend element dat ontbrak: er waren geen toiletten …
Met de bewoners verdwenen veel schaapskuddes en dit had weer een enorme invloed op de vegetatie. Door het wegvallen van de begrazing koloniseerde de stekende egelbrem (Genista horrida) hele gebieden. Het oogt bijzonder mooi, maar getuigt tegelijk van een verloren gegaan landbouwsysteem.
Morcat is een van de vele verlaten dorpen. Briet (1907) beschreef zijn bezoek aan Morcat:
“We klopten aan bij de pastoor, D. Francisco Asin Menac. (…) Hij woont in een soort doodlopende straat die wordt gevormd door zijn pastorie, de muur van het ‘campo santo’ en de poort van de kerk, die helemaal achteraan ligt. Daar stond ook een schoolgebouw voor jongens en meisjes onder leiding van een onderwijzeres, die de helft van het jaar in Morcat verbleef en de andere helft in Puimorcate, een dorp dat twee keer zo groot was.
Ik vond het een goed idee om de kerk te bezoeken terwijl de maaltijd werd klaargemaakt. Het witgouden altaarstuk had prachtige gebeeldhouwde zuilen. In een donkere nis stond een enorm stenen doopvont; daar had men wel een onderdompelingsdoop kunnen houden. Een van de twee klokken dateerde uit 1787. (…) Wat de begraafplaats betreft: een verhoging zonder kruis, te midden van verdord gras, duidde daar een graf aan. Deze braakliggende plek bracht de nietigheid van de mens op aangrijpende wijze tot uitdrukking.
Aan de andere kant van de kerk vormde een steil aflopend terrein een schilderachtige horizontale wandeling, bezaaid met buxus en zachtgroene, stekelige struiken, abrizones in het lokale dialect. (dit is de stekende egelbrem, Genista horrida)
Omdat er in Morcat door het gebrek aan water geen voedergewassen kunnen worden verbouwd, ziet men er alleen graanvelden. Op dit plateau (1.151 meter), dat aan de noordenwind is blootgesteld, ligt er in de winter een dikke laag sneeuw. Toen we terugkeerden naar de pastorie, vergeleek D. Francisco Morcat gekscherend met een trein, waarbij de huizen van het ‘pueblo’, die in een rij achter elkaar waren gebouwd, vijf wagons voorstelden die werden voortgetrokken door de kerk, een locomotief waarvan de klokkentoren dienstdeed als dikke, korte schoorsteen.”


In april 1967 verliet de laatste inwoner het dorp.

De beschermende functie van de ‘espantabrujas’ is ervoor te zorgen dat heksen die op hun bezems over de daken vliegen, niet via het schoorsteenkanaal de huizen binnendringen. Ze werden gemaakt uit een lichte, poreuze steen

